← Table of contents
Reize door Frankrijk

Note 8 — Achttiende Brief.

Reading edition

Den 9en September. Reeds om zes uren ging ik wandelen, en klom den berg, dien ik uit het venster van mijne slaapkamer zien kan, op. Aan de helling van dezen berg vindt men een badhuis, waarin het water vrij warm is8, boven hetzelve opklimmende, komt men aan eene aangename wandeling onder zware en lommerrijke boomen, en hier is nog een huisje, waar men het water drinkt, betalende daar voor aan lieden, die het gepacht hebben; om de warmte is het walgelijk, doch anders vond ik ’er geen’ onaangenamen smaak aan. De warme bron, die dit water oplevert, wordt de bron van Bagnerolles (source de Bagnerolles), ook bron van de Koningin (source de la Reine) genaamd. Zij geeft, volgens daarvan gevonden aanteekeningen, 495 Cubiek voeten water in één uur. Het water van deze bron wordt in verscheidene baden verdeeld, onder anderen ook in een huis, dat insgelijks aan de helling van dezen berg zeer aangenaam gelegen is, en voorheen aan de Kapucijner Monniken behoorde. In sommige dier baden moet men betalen, in anderen voor minvermogenden geschikt, kan men om niet gaan. Men ziet hier dan ook een aantal kreupelen, lammen en ziekelijke menschen van allerlei ouderdom, en van beide kunnen. Hooger opgaande, wandelt men nog altijd onder eiken-, beuken- en castanje-boomen, waar onder zeer zware. Ik vond eenige boomen omver liggen, zij waren nog maar onlangs door eenen zwaren storm en onweder geveld. De wandeling is hier alleraangenaamst, vooral in zulk eene heerlijken morgenstond, als wij heden hadden. De berg hooger en hooger opklimmende langs smalle voetpaadjes, heeft men een verrukkelijk gezigt, aan de noord- en noord-westzijde over de schoone vallei, die wij gisteren waren doorgereden, en de omliggende dorpen, voor zich, over het stadje Bagnères heen, tot tegen de boschjes en groene heuvels aan den anderen kant van de Adour gelegen. Zuid en zuid-oostwaards heeft men ontzaggelijke hooge rotsen en bergen, daar de Pic du Midi9 boven uitsteekt. De helling is hier tamelijk stijl, en men moet ter deeg klauteren; echter schijnt het vee daar zoo gemakkelijk te weiden als bij ons, en elders in de vlakke weilanden. Wij ontmoetten hier ook een meisje, dat eenige koeijen en geiten hoedde, want deze berg is genoegzaam geheel groen, en de menigte kruiden van onderscheidene soorten, die ’er op groeijen, geven zoo wel een’ lieffelijken reuk als een vrolijk gezigt. Deze herderin geleek evenwel in ’t geheel niet naar die, waarvan ons de oude Dichters zulk eene bevallige beschrijving geven; zij was in ’t geheel niet schoon, en had in plaats van een bloemkrans, eene roode baaijen kap op het hoofd10. Den top bereikt hebbende, was het gezigt nog uitgestrekter, doch bleef altijd door de bergen, die veel hooger waren dan die, waarop wij ons bevonden, en die in vergelijking van dezelven maar een heuvel was, zeer bepaald. Oostwaards ziet men ook niet anders dan bergen, en hier en daar tusschen dezelven eenige woningen en boschjes, schilderachtig gelegen. Aan den anderen kant afklimmende, zagen wij, het water uit een bron, dat een klein beekje maakte, volgende, dat hetzelve zich in een diepte tusschen de rotsen verloor. Ik klom daar in, en vond beneden een spelonk, waar ik zonder licht niet ver in durfde gaan; doch die, naar het rollen der steenen, die ik ’er in smeet, te oordeelen, vrij diep moest zijn; het water, dat hier inloopt, komt waarschijnlijk beneden weder uit, en maakt eene tweede bron. Een landman, dien ik hier omstreeks ontmoette, noemde deze spelonk (voor zoo veel ik hem begrijpen kon) la Grotte ou le Clos de la Lacque. In een enge vallei wat verder op, zag ik in een waterplas, bij eene kleine bron tegen het zuid-oosten warm gelegen, een menigte jonge kikvorschen, zoo als men die bij ons in de maand Mei ziet, namelijk zonder pootjes, en alleen met een staartje. Men vindt hier nog tegenwoordig tusschen de bergen eene menigte aardbeziën. De lente, zomer en herfst zijn hier om zoo te spreken vereenigd; want eigenlijke lente en herfst, zoo als bij ons en elders, heeft men ’er niet. De sneeuw begint somtijds al in het midden van October te vallen, de bergen worden daar vervolgens mede overdekt, en de valleijen tusschen dezelven vervuld; deeze ontzaggelijke menigte op een gehoopte sneeuw blijft door de koude, die zij zelve veroorzaakt, lang in wezen, en smelt niet eerder, voor dat de zon al vrij wat kragt gekregen heeft, en dan is het welhaast zomer11. Niet ver van hier aan de helling van een berg, is eene andere spelonk, die men la Grotte ou le clos Destugue noemt; somtijds was men hier met fakkels in-, en een goed eind wegs onder den berg door gegaan, of gekropen. Hier en daar vond ik eenige hutten zeer aardig en bevallig gelegen, en het speet mij wel, dat ik met de taal van die eenvoudige lieden, met welke ik gedurig een praatje zocht te maken, niet beter te regt kon. Na eenige uren gewandeld te hebben, joeg mij de warmte naar huis. Aan de tafel vonden wij een menigte speelders, en het gesprek liep meest over het spel, en was dus voor mij van zeer weinig belang. Het was Zondag, en ik ging eens in de Kerk kijken, doch zag ’er niets bijzonders. De pastoor predikte in het Patois. ’s Avonds ging ik het Schouwspel zien; men speelt ’er in dezen tijd doorgaans Zondags. De zaal was redelijk, maar de dekoratiën en vertooners ellendig. Men gaf evenwel Fenelon ou les Religieuses de Cambrai, van Chenier; in onze taal overgezet, zoo ik meen door Uylenbroek.—Nooit heb ik iets slechters gezien, en het was wel een Treurspel, om te lagchen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings