Note 5 — Achttiende Brief.
Reading edition
Om 3 uren na den middag vertrokken wij naar Bagnères, met een Berline (groote koets) met drie paarden, die wij met ons vijven voor £ 20 — gehuurd hadden, voerende onze bagage mede. De weg is zoo gelijk als die van Rabastens naar Tarbes. Van tijd tot tijd heeft men ter zijde van dezelve eene liefelijk ruisschende beek, bevallige beplantingen en boschjes, die een digte schaduw geven; nu en dan lagchend groene weilanden, velden met Turksche tarw5, en gierst die veel weelderiger staat, dan ik ze tot nu toe gezien had. Ook hier, even als in de Cevennes, scheen het nog lente. Een menigte boeren en boerinnen van een naburige markt terug keerende, kwamen ons tegen, met jong vee, paarden en muilezels, waarbij veel veulens. Alles was vrolijk, jongens en meisjes sprongen zoo wel over den weg heenen als de veulens en kalveren. Dan zag men een paar bejaarde boeren druk met elkanderen in gesprek, van tijd tot tijd stilstaande, en vele bewegingen met de handen makende; dan weder een aardig paartje langzaam volgende, de jongen met den arm om den hals van het meisje, welke, toen zij ons naderde, de oogen nederwaards sloeg; daar een hoop lustige knapen, hand aan hand loopende, zingen, en op eene dartele wijze de voorbijgaande groetende; en ginds een wagen vol vrouwen, alle met scharlaken capeletten op, waarop het gezigt schier schemerde. Dit alles leverde voor mij eene zeer vermakelijke vertooning op. Men komt ook door eenige niet onaangename dorpen, waarvan de huizen van keisteenen gebouwd zijn. Deze keisteenen zijn op eene regelmatige wijze op elkanderen geschikt; dan heeft men een laag kleine, en dan weder een laag grootere, dan langwerpige en dan ronde, het geen aan die muren geen onbevallig voorkomen geeft; zij zijn met een soort van kalk of cement gemetseld. De daken zijn alle van leijen. De valei waar door deze weg loopt, is zeer aangenaam en vruchtbaar; het riviertje de Adour stroomt door dezelve, men wordt dien snellen stroom zelfs hier en daar van den weg gewaar. Voor zich ziet men het stadje Bagnères, aan den voet van ontzaggelijke bergen liggen, waar onder zich de punt van de Pic du Midi bijzonder onderscheidt. De landstreek is hier verrukkelijk. Het was ruim zes uren toen wij te Bagnères aankwamen. Tarbes en Bagnères zijn 2½ post. Wij waren verpligt om nog al een poos heen en weder te loopen eer wij een logement konden vinden, want het was bijna overal vol. Eindelijk kwamen wij te regt bij Mad. la Veuve Uzac, die ons een paar nette kamers bezorgde in een huis, dat haar behoorde, en door eene bejaarde weduwe met eenige dochters bewoond werd; wij waren daar zeer wel, en aten aan de gemeene tafel ten huize van de weduwe Uzac.