Note 1 — Achttiende Brief.
Reading edition
De Garonne over zijnde, is men in het voormalig Gascogne, en de landen tusschen deze rivier, den Oceaan en de Pyreneën gelegen, werden gemeenelijk onder de benaming van Gascogne begrepen. Bij het dorpje Lequevin, waar de weg over een hoogte loopt, heeft men een aangenaam gezigt over de schoone en vruchtbare vlakte. Aan de regterhand, op een zekeren afstand van den weg, ziet men een bosch, dat zeer uitgestrekt schijnt te zijn, doch ’er waren geen zwaare boomen in, en diende, naar ik vernam, genoegzaam alleen voor brandhout. Men noemt dit het bosch van Boecol. De weg is hier zeer ongelijk, en men is den eenen heuvel pas af, of men moet den anderen weder opklimmen. De grond schijnt hier ook zoo goed niet als digter bij Toulouse, en Turksche tarw was het voornaarmste dat ik ’er zag; hier en daar staat ook gierst, dat men petit millet noemt. De grond wordt hier veel met mergel1 gemest; zulk eene bemesting voedt den akker voor verscheidene jaren. Op sommige akkers zag ik nog eene andere soort van maïs of Turksche tarw, die weinig graan geeft, en alleen geteeld wordt, om ’er bezems van te maken; zij groeit hooger, en is ranker dan de andere, daar bij zijn de pluimen, die om te veegen dienen moeten, veel langer, en vrij stevig; diergelijke bezems, netjes gebonden, worden in gansch Provence en Languedoc bijna gebruikt, ik zag ze zelfs al te Lyon; dit is dan nog al een tak van handel, en indien het niet zoo afgelegen was, zou ik onze Hollandsche vrouwtjes wel durven aanraden, om ’er een goeden voorraad van op te doen. Nu rijdt men een brug over eene beek, door een dal stroomende, over; en hier zag ik iets, dat ik in langen niet gezien had, frissche groene weilanden, waarin een menigte rundvee en paarden graasden. 3½ post van Toulouse ziet men een onaanzienelijk steedje, l’Isle de Jourdain genaamd. Voorheen lag het in zijne wallen, en had een Kasteel, doch deze zijn al sedert vele jaren afgebroken. De inwoners, eenige jaren geleden, oneenig zijnde met eenige krijgslieden en burgers van Toulouse, had zulks hier verregaande dadelijkheden ten gevolgen. Overal waar maar huizen staan, ziet men eene menigte gansen, waarvan dit land ongemeen voorzien schijnt. Nu en dan treft men ook nog wijngaarden aan, maar geen olijf- of moerbezienboomen meêr. Twee posten verder dan het laatstgenoemde plaatsje, namen wij het middagmaal, in een steedje Gimont genaamd, aan een riviertje gelegen, en waar een ruime geheel overdekte plaats is, waar men markt houdt, en die men la Halle noemt; de landlieden, uit den omtrek, brengen hier hunne waren ter markt, en dit geeft nog al eenigen handel. Het ziet ’er hier nog al tamelijk uit, de maaltijd was redelijk goed, en de prijs zeer matig. Niet ver van hier, zegt men, zijn mijnen, waar turkoisen gevonden worden, die weinig van de Oostersche verschillen. De weg loopt aanhoudend over bergen en dalen, zoo dat men schier aanhoudend niet anders dan stapvoets voortgaat; te meêr, daar men maar weinig van paarden verwisselt; doch ik verveelde mij niet, om dat de landstreek aangenaam is, alles is bebouwd; hier en daar heeft men boschjes en boeren-hoeven, die men Metairies noemt; onder dezelven ziet men ’er die met de aangelegen schuren, stallen, enz. al vrij groot zijn, en wel kleine gehuchten gelijken. Een groot ongemak echter is het gebrek aan water, dat hier in gansche streken plaats heeft, zelfs met den ongewonen regen, dien wij gehad hebben, en die nogthans aan alles een buitengemeen frisch aanzien geeft; moest men het van een huis aan den weg liggende, en waar wij een oogenblik vertoefden, omtrent een half uur ver halen; zelfs waren ’er van de naburen, die nog verder van die bron af woonden; het was dus niet meer dan billijk, dat ik een glas water, dat ik hier dronk, betaalde.