Note 1 — In Britsch-Indië. (continued 2)
Reading edition
De Durga-tempel is gewijd aan Durga, de vrouw van Siwa. Zij wordt als zeer verwoestend en bloeddorstig voorgesteld. Zij bezit 18 armen en handen, in elke hand een zwaard of ander moordtuig houdende, waarmede zij de koppen van mannen en leeuwen afslaat. Aan haar gordel bengelen doodshoofden van mannen. Vroeger werd ter eere van Durga elken dag een mensch geslacht, om haar bloeddorst tevreden te stellen; sedert het menschenslachten verboden is, offert men haar elke week een geit. Geiten zijn hier duurder dan menschen. Elken dag een geit te offeren, zou te veel geld kosten; daarom moet Durga zich eens in de week met een geitje tevreden stellen. Het toeval wilde, dat wij in den tempel twee Hindoe jongemannen uit Calcutta aantroffen, die ook ter bedevaart waren opgekomen naar Benares. Zij bleken beiden zeer ontwikkelde, goed Engelsch sprekende jongelui te zijn. Zij begonnen een gesprek met ons, waarop wij hun vroegen, hoe ontwikkelde menschen een godin der verwoesting konden aanbidden. Glimlachend antwoordden zij: “Gij moet u dat anders voorstellen. Wij, Hindoes, verdeelen den tijd in verschillende perioden. Wij leven thans in de periode der verwoesting. Oorlog, doodslag en verwoesting van landen en steden is over de geheele wereld aan de orde van den dag. Durga regeert thans overal. Met aan haar offeranden te brengen, hoopt men haar moordlust te koelen, m.a.w. hoopt men de groote periode der verwoesting snel te passeeren. Het is slechts eene zinnebeeldige voorstelling”.1