Note 6 — VOORWOORD.
Reading edition
Dinesh Chandra Sen vertelt verder: „Terwijl de oude man zong, hoorde ik plotseling zijn stem verstikt worden door zijn tranen. Nadat hij tot zich zelven gekomen was, vroeg ik hem naar de oorzaak zijner tranen. Hij zeide, dat het de zang was. De zang, zeide ik, beschrijft een gewone liefdes-affaire; en waar zou wel het aandoenlijke ervan liggen, dat een ouden man aanleiding kan geven tot zulk een uitbarsting van gevoelens? Hij verklaarde, dat hij dit niet beschouwde als een gewone liefde-zang. Ziehier zijn verklaring: „Ik ben vol zonden. Mijn ziel is bedekt met duisternis. In diepe droefheid wenkte ik Hem om tot mij te komen. De barmhartige God kwam. Ik vond Hem op mij wachtende bij de deur van mijn huis. Het kan voor Hem geen vreugde wezen om te komen tot een zondaar als ik ben—het pad is onrein, maar in groote genade sloeg de barmhartige God het pad in. De wereld, waarin ik leef, heeft geen deur voor Hem opengelaten. Betrekkingen en vrienden lachen mij uit, of zijn zelfs vijandig; maar wat kan een zondaar, denkende aan Zijn groote genade, anders doen dan mijn huis en alles wat ik heb te verlaten, en een sanyasin6 te worden? De gedachte aan zijn barmhartigheid verstikte mijn stem.—„O, duister is de nacht en zwaar zijn de wolken; hoe kunt ge, geliefde, bij het pad komen?” Maar Hij stelt zich aan den regen bloot, en om den zondaar te helpen is Hij bereid te lijden.”