Note 3 — M.H. VAN CAMPEN
Reading edition
En toch ook in zijn productie als zoodanig voelt men een enkel maal iets pantheïstisch. Zoo in dit kwatrijn—in de vertaling van Geiger—:
Du staunst, dass ich zu Weisheitshöhen kühn Den Weg besteige, ebnend mir den Pfad? Der selbe Geist, der meinen Leib bewegt, Ist ein das All umkreisend Weltenrad.
Ik vestig eens voor al de aandacht der lezers er op, dat ik in deze studie nimmer uit Hebreeuwsch-Joodsche dichters citeer met het doel: schoonheid te toonen. Dat is ook mijns inziens vrijwel onmogelijk in Geiger's vertaling, die niet alleen bijna immer volmaakt rhythme- en geluid-dóód, maar bovendien, naar zijn eigen verklaring trouwens, vaak een zich naar den modernen lezer voegende omwerking is. Zelf aan een vertaling van dit of dat Hebreeuwsche gedicht van Gabirol mijne krachten te beproeven, daartoe ontbreekt mij nu den tijd, dien ik daarvoor noodig zou hebben, te meer waar de tekst van zijn profane verzen zeer corrupt is, en niet gebundeld, maar in allerlei oriëntalistische tijdschriften verspreid.—Nochtans heeft Geiger ook een enkel keer wel eens gevoelig vertaald, zóó dit van Samuel Nagdilah, dat—zie overigens volgende noot—indien men aan de gevaren en verzoekingen van 's mans schitterende maar benijde positie denkt: een traditioneel-Joodsch vizier onder een Mohammedaansch vorst, zéér aandoenlijk is:
Ueber der Zeiten Krümmung Ewigem Leben zu reit' ich Und zu dem Paradiese Ueber die Hölle schreit' ich....