← Table of contents
Over literatuur

Note 16 — M.H. VAN CAMPEN

Reading edition

De dichter zegt:

... "de duistere Ketef dwarrelt In 't schoonste zomeruur, een ossenhoren Is zijn gestalte, die sidderend scharrelt.

Deze scharrelende ossenhoren, zonder kop, romp en beenen kwam mij onmiddellijk zeer onwaarschijnlijk voor—al moet men in dit opzicht, waar 't demonen betreft, niet al te twijfelziek zijn! En toen ben ik eens in de Midrasjim gaan snuffelen en zoo vond ik in Bamidbar Rabba, 12, een vrij uitvoerige schildering van dezen demon, waaruit ik het volgende zinnetje vertaal: "Zijn hoofd gelijkt dat van een kalf en een horen gaat uit het midden van zijn voorhoofd op ... en hij wentelt zich als een vat over den grond." Men ziet het: de dichterlijke guillotine heeft radicaal gewerkt! Nog een andere schoolmeesterlijke opmerking: Zou de dichter bij een herdruk niet liever als grondslag voor zijn transcriptie van Hebreeuwsche woorden in Latijnsche letters de sefardische uitspraak adopteeren, zooals die ook door de niet-Joodsche Hebraïci wordt gebruikt? En de Ajin waarvan toch niemand meer de juiste uitspraak kent, inplaats van door ng, door een ' willen aanduiden? Hoeveel welluidender is Ja'akob Jisraeel, met die fijne Spaansch-Joodsche e aan het eind, dan Jangakauf Jisroijl.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings