Note 10 — BRIEVEN OVER LITERATUUR
Reading edition
Deze meening heb ik in Het Jonge Leven van September 1912 aldus nader gemotiveerd:
Het schijnt mij toe, dat de benaming roman voor dit boek zeer ten onrechte is gekozen.
Men kan namelijk een boek als dit, waarin een sterke concentratie ontbreekt; waarin levensbrokken van tallooze menschen, die weinig of niets met het leven der meest vooraanstaande figuren hebben uit te staan, zoo fel en zoo uitvoerig worden uitgebeeld, dat zij qua uitbeelding bijna dezelfde belangrijkheid hebben bereikt als die der meest vooraanstaande figuren, moeilijk een roman heeten, tenzij men het òf als zoodanig ondeugdelijk gecomponeerd wilde noemen, òf bereid was af te zien van alle compositorische eischen, die men tot heden gewend was aan een roman te stellen. Met zulke compositorische eischen bedoel ik: dat er een kern van handeling en een kern van persoonlijkheid zij, maar dat er buiten die kern slechts handeling en persoonlijkheden aanwezig zijn, voor zoover zij de hoofdhandeling en de hoofdpersoonlijkheid moeten belichten, en in onverbrekelijk boek-organisch verband daarmee. Daarvan is hier echter geen sprake. Wij zouden ongetwijfeld geen der in het boek optredende figuren hebben willen missen, want met elk zulk een figuur, ook de schijnbaar vluchtig-aangegevene, ook de minst belangrijke, zouden wij tevens een rijk doorvoelde menschbeelding gemist hebben, maar allerminst kan men zeggen, dat ieders aanwezigheid ter belichting der meer op den voorgrond tredende figuren noodzakelijk is. Doch er is nog een andere eisch aan een roman te stellen, die door dit werk niet vervuld wordt, te weten, dat er een zekere feitelijke of psychologische of dramatische toestand in heersche, die aanvange, zich ontwikkele en zijn ontknooping of eindpunt bereike, maar óók en vóóral, dat dit eindpunt tevens een punt van samenvloeiing is. Met dit laatste bedoel ik dit: een roman zij in den aanvang eene verscheidenheid, welke bij het einde tot een eenheid blijkt vervloeid, niet alleen in hooger-geestelijken maar ook in bloot-compositorischen zin. Een roman zij als het samenstroomen van vele beken die zich vereenen tot een machtige rivier, waarop al verder varende, de reiziger, genietend van de gezichten op haar oevers, van haar zonweertinteling en watergeur, weet, dat aan het eind der reize hem geen gering genot nog wacht: het uitrustende verpoozen in de fraaie stad, welke zij rijk en groot heeft gemaakt, die inderdaad de rivierstad is, waarin alles van háár spreekt, alles van háár leeft en die daarom wel de meest geëigende plek mag heeten, om zich nog eens herinnerend voor den geest te halen, al wat haar wateren en haar oevers hebben geboden op den tocht.—En nu is dit werk wel een machtige stroom en zelden of nooit heeft verscheidenheid mij zulk een gevoel van eenheid-der-dingen geschonken als die van dit boek, doch deze is de hierboven geschetste eenheid van een romangeheel niet, zij is de door geen enkele grens gehinderde eenheid van het boek met het omringende leven, juist dus het tegenovergestelde van de eenheid eener roman, die immers een tot geheel geworden deel van, gesneden uit het omringende leven is!