← Table of contents
Over literatuur

Note 4 — BRIEVEN OVER LITERATUUR

Reading edition

"Ik mag zoo niet fratsen in mijne brieven," zeg ik met Abraham Blankaart, anders schrapte ik zoowel deze, zij 't ook goedmoedige, spotternijen, als de aan hen verwante, aan het eind dezer critiek voorkomende beweringen. Thans laat ik ze maar staan. Een criticus—iemand, die anderen steeds bedilt!—lijkt mij trouwens wel het allerminst gerechtigd, bij een herdruk van zijn werk vroegere foutieve meeningen te verdonkeremanen. Maar wel moge ook hier thans de rectificatie volgen, die ik drie maanden na het verschijnen van dezen "Brief," in hetzelfde maandschrift—De Boekzaal—deed afdrukken. Men zal daaruit zien, dat ik mijne gevolgtrekkingen uit zeer onjuiste premissen had afgeleid:

"Rectificatie.—Zoo heb ik dan nu tot mijn genoegen de gelegenheid een misslag te herstellen, waarvan het inzien mij weer eens heeft doen voelen, dat de criticus, hij moge pogen zoo conscientieus te zijn als hem mogelijk is, hierin de onfortuinlijke lotgenoot van den schoolmeester is, dat hem het onweersproken-blijven door degenen, die hij op de vingers tikt en bedilt, op den duur wat autoritair maakt en zijn gewaande rechtvaardigheid, door een soort van loszinnigen overmoed, in het tegendeel doet verkeeren! Men zal zich herinneren, dat ik, in mijn derden Brief het door mij geprezen werk De Vreemde Heerschers besprekend, den heer en mevrouw Scharten-Antink meende te moeten verwijten, dat zij "fournisseurs de la cour" waren en dáárom moedwillig de ruwste zijden van het in hun werk uitgebeelde boerenleven zouden hebben verdoezeld, terwijl ik hen ook, na hun Parijsche en Italiaansche romans, geloofde te moeten rangschikken onder degenen, die den prikkel van het uitheemsche behoeven, om tot scheppen te kunnen komen. Welnu, kort daarna ontving ik een brief van den heer Scharten, waarin hij, sprekend op zóó objektieve wijze over de gebreken, die zijn eigen werk in zijn oog aankleven, als ik slechts zelden heb waargenomen en die hem tot eer verstrekt, tevens verklaarde van deze mijne beide beweringen gemakkelijk de onjuistheid te kunnen aantoonen. En ik betuig hier gaarne en openlijk, dat dit inderdaad op overtuigende wijze gebeurd is. Wat het vermeende verdoezelen van zekere ruwe levenszijden aangaat, werd mij door het helder voor oogen stellen van 't natuurlijke en ekonomische milieu, waarin de Italiaansche boeren aan de meren leven—wel te onderscheiden van bijv. de Italianen uit Toscane en vooral de Napolitanen—benevens door de mededeeling van verschillende persoonlijke ervaringen van de auteurs onbetwijfelbaar aangetoond, dat hier niets te verdoezelen viel. Het leven dier boerenbevolking verschilt inderdaad hemelsbreed van dat der door Zola en Querido beschreven boeren. En ofschoon men kan zeggen, dat het boek zóó geschreven had moeten zijn, dat het niet-verdoezelen daaruit bleek, het is duidelijk dat dit niet-blijken evenzeer aan den recensent als aan den schrijver liggen kan, en men hierbij het gebied der subjektieve kritiek betreedt, welke een heel ander iets is dan het vermeend-feitelijke waarop ik mijn beschuldiging grondde, en welke alleen dan ook nimmer uitgangspunt van zulk een beschuldiging mag zijn. Terwijl wat mijn bewering betreft, als zou uit een soort van artistieke onmacht, het vaderlandsche te doorvoelen, het uitheemsche door deze auteurs worden opgezocht, mij ter weerlegging de redenen van hun buitenslands vertoeven werden medegedeeld, die mij bleken niets met eenig literair streven te maken hebben, zoodat men inderdaad in deze schrijvers een nog meer volslagen uitzondering dan, maar toch van dezelfde soort als Van Oordt, heeft te zien, die immers ook door omstandigheden, welke grootendeels van niet-artistieken aard waren, er toe geleid werd, zijn onderwerpen wel niet in een vreemd land maar vroegeren tijd te zoeken.—Ten slotte: indien ik met zooveel genóegen mijne vergissing hier herstel en zelfs den heer Scharten gaarne voor zijne opmerkingen mijn dank betuig, dan is dit omdat die opmerkingen geuit werden op dien toon van waardeering en onvertroebelde erkenning, welke een persoonlijk ongekwetst-zijn en daarmee tevens een persoonlijk-hoogstaan van den opmerker aan den dag legt." Juni, 1912.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings