Note 7 — WOUDENDIENST.
Reading edition
En zoo doorgaande, ontsluit zich voor ons oog een prachtig gezigt. Wij staan aan den voet van het woud, en daardoor baant zich de IJssel een weg.7 Een waterstroom door een bosch, welk eene pracht! Wat teekenen zich die woudreuzen in het zeewaarts vlietende water! Zie, die losgespoelde boomen, vastgehaakt in den oever waarlangs het water zich nu eenigzins versneld een weg baant, die eik met ontbloote wortels en dan die kronkeling waar zich de rivierstroom heen wendt en aan ons oog onttrekt, die kirrende tortels daarboven, zwevende op hunne ranke wieken, en gij zegt in begeestering: Wat is God groot in de natuur.