Note 131 — Van 1265 tot 1860.
Reading edition
»Dus gingen de zaken in ’t Noorden van Holland, maar in ’t Zuiden maakte het dus ver wel geslaagde geluk des Nassauschen Aanhangs nog eenen vry grooteren Sprong: want op den Negentienden van Zomermaand131 zettede de Heer van Zwieten met slechts eene handvol volks de stad Oudewater132 en drie dagen laater ook Gouda om; welk voorbeeld sedert door Leiden, Dordrecht,133 Haarlem en Gorkom gevolgd wierdt. Invoege slechts Delft, Amsterdam, Rotterdam, Woerden, Schoonhoven, Naarden, Muyden en Weesp het nog in Holland alleen maar met den134 Spanjaardt hieldt. Wiens Staaten op de ontfange aanschryving van Alva den vyftienden135 van Hooimaand te Dordrecht met een oogmerk vergaderden, ’t gene vry ver van dat des aanschryvers verschilde. Mids dezelven, op de aanspraak van den Heer Philips van Marnix, uit den naam van den Prins van Oranje aan de Vergadering gedaan, tot deszelfs behoeve niet alleen ordre tot het Ligten van geld, maar op ’t zien van den Lastbrief aan den Graaf van der Mark door denzelven mede gegeeven, dien136 tot algemeenen Stedehouder zyner Doorluchtigheid over geheel Holland aanstelden;137 welke in die hoedanigheid zich straks van138 Rotterdam en Woerden verzekerde, midts de bezettelingen dier eerstgemelde Stad,139 door Bossu voorheen daar ingelegdt, thans dezelve, even als korts daarna alle de overige Spanjaarden geheel140 Holland, verlaaten hadden. Zulks zich de Prins van Oranje in Persoon nog voor het uitgaan van het Jaar Vyftienhonderd Tweeënzeventig derwaart141 vervoegde, om dat Gewest en de overige Steden en Landen, welken zich aan ’t wreede Landbestuur van den Hertog van Alva onttrokken hadden, tegen denzelven te beschermen. Welke nu, hoewel te laat, uit dit zeldzaam beloop der zaken gewaar wierdt, hoe zwak het gebouw eener geweldige Regeeringe is, wier grondslagen niet dan in ’t sement van ’t vergoote bloed van de daar door afkeerig gemaakte gemeente gegrondvest zijn.”