Note 4 — I.
Reading edition
Ieder geoloog weet, dat verreweg de meeste gronden met eene soort van ijzer zijn vermengd. De scheikundigen noemen dit ijzer-oxide. Dit ijzer-oxide is eene door de natuur gevormde verbinding van ijzer met zuurstof, dat vaak nog met koolzuur en water vereenigd is. Dit zijn echter nog geene oerbanken. Om die te vormen zijn het alweder de planten, die daaraan te hulp moeten komen. »Waar deze of diergelijke stoffen verrotten”, zegt de heer Staring4, »kan dit laatste—het ijzer-oxide—een gedeelte van zijne zuurstof verliezen en wordt daardoor ijzer-oxidule, dat de eigenschap heeft van zich op te lossen in koolzuurhoudend water, hetwelk in elken grond, maar vooral in gronden rijk aan bewerktuigde stoffen aanwezig is. Zoo wordt dus het ijzer-oxide langzamerhand aan die aardlaag, waarin verrotting plaats heeft, onttrokken en met het water naar elders heen gevoerd. Men ziet dan ook zeer dikwijls, dat heideplanten met hare wortels het omringende zand tot op eenigen afstand wit hebben gekleurd en dat, over het algemeen, de bovengrond van zandgronden, na lang aan den invloed van den plantengroei blootgesteld te zijn geweest, witter van kleur is dan de ondergrond. Waar daartoe gelegenheid bestaat, vloeit zulk ijzerhoudend water in slooten weg, alwaar het in aanraking met de dampkringslucht komende, troebel wordt en de bij de landbouwers zoo zeer gevreesde geelroode kleur aanneemt.