Note 1 — I. Een Algemeene Blik op de Wordingsgeschiedenis des Lands en op de Bewoners.
Reading edition
Na dit voorhistorische tijdperk der eerste laagveenvorming kwam een periode, waarin de waterspiegel der Noordzee langzamerhand hooger werd. De zee drong bij vloed en vooral bij stormvloed steeds dieper en met meer kracht het land binnen en drenkte de veenlaag met zoute wateren, welke een gedeelte van hun zoutdeeltjes in het veen achterlieten1. De bruisende en schuimende wateren der zee, in vereeniging met die der riviermonden, sloegen groote gedeelten van het reeds gevormde laagveen uit het deltaland weg en vormden aan den zeekant weer een groote plas, waarin slechts enkele veenbanken op den bodem achterbleven, terwijl in andere gedeelten, vooral dieper landwaarts, het laagveen in groote uitgestrektheid bleef bestaan. Zoo vormde zich een landruïne met afwisseling van zee en land, dit laatste versnipperd in eilandjes van verschillende grootte, onregelmatig in de wateren verspreid. Langs den zeekant lagen nog de duinen, wel niet aaneengesloten, zooals ten N. der Maas, maar toch met veiliger plekken, en aan den binnenkant achter deze hoogten bleven ook de landvlakten meer bewaard.