Note 2 — LI. Il buon di si conosce da mattina.1
Abraham Anthony Fokker translation
“U denkt dat ik me heel goed vergissen kan,” zeide hij met droeven lach. “Ik heb nu koorts, en ik ben niet onfeilbaar: homo sum, humani nil a me alienum puto,2 zeide Terentius; maar als hij zich soms veroorlooft te droomen, waarom dan niet aangenaam te droomen in de laatste levensuren? En dan, ik heb niet anders geleefd dan van droomen! U heeft gelijk: een droom! Onze jongelui denken aan niets anders dan aan liefdesavonturen en genoegens: ze verbruiken meer tijd en spannen zich meer in om een jongmeisje te misleiden en te onteeren, dan om aan ’t heil van hun land te denken. Onze vrouwen vergeten, om hun zorg voor Gods huis en Gods familie, hun eigen huis en familie. Onze mannen zijn alleen werkzaam voor ondeugd, ze zijn heldhaftig in schande. De kindschheid ontwaakt in duisternis en sleur. De jeugd leeft de beste jaren zonder ideaal, de rijpe leeftijd is onvruchtbaar, en leeft alleen maar om met zijn voorbeeld de jeugd te bederven... Ik ben blij dat ik dood ga... Claudite jam rivos, pueri.”3