Note 1 — XLVII. De stem der vervolgden.
Abraham Anthony Fokker translation
“Meneer,” hervatte hij op ernstigen toon, “u beschuldigde het volk van ondankbaarheid: veroorlooft u mij, een uit dat volk, dat ik het verdedig. Gunsten die men aandoet, moeten, om recht op erkentelijkheid te hebben, belangeloos zijn. Laten we de zending erbuiten laten, ook de christelijke liefdadigheid, waar zoo mee gesold wordt. Laten we ook niet spreken van de geschiedenis, laten we niet vragen wat Spanje gedaan heeft met de Joden, het volk dat aan heel Europa een boek, een godsdienst en een God gegeven heeft. Wat heeft het met de Arabieren gedaan, het volk dat het een beschaving geschonken heeft, verdraagzaam is geweest met zijn godsdienst, en dat zijn nationaal bewustzijn heeft opgewekt, een bewustzijn dat onder de romeinsche en gotische overheersching ingeslapen, ja bijna dood was? U zegt dat ze ons het geloof gegeven en ons uit de dwaling hebben verlost. Noemt u die uiterlijke praktijken geloof, noemt u dien handel in riempjes en schapulieren godsdienst, of die wonderen en vertelsels, die we dagelijks te hooren krijgen, waarheid? Is dat de wet van Jezus Christus? Daarvoor hoefde een God zich niet te laten kruisigen, en wij ons niet te verplichten tot een eeuwige dankbaarheid: bijgeloof bestond lang te voren, ze hoefde alleen maar wat mooier gemaakt en de prijs van de koopwaar wat hooger gesteld te worden. U zult me zeggen, dat, hoe gebrekkig de godsdienst die we nu hebben ook moge wezen, hij toch te verkiezen is boven dien we hadden. Ik geloof het en ben ’t eens, maar hij is te duur gekocht, want daarvoor hebben we afstand gedaan van onze nationaliteit en onze onafhankelijkheid. Daarvoor hebben we aan zijn priesters onze beste dorpen gegeven, onze velden, en zelfs geven we onze spaarpenningen voor ’t aankoopen van godsdienstige voorwerpen. Men heeft bij ons een artikel van buitenlandsche nijverheid ingevoerd, we betalen er goed voor, en we leven in vrede. Als u me spreekt van de bescherming tegen de encomendero’s,1 zou ik u kunnen antwoorden dat we door hen juist onder de macht van die encomendero’s zijn gevallen. Maar nee, ik erken dat een waarachtig geloof en een waarachtige menschenliefde onze eerste zendelingen leidde, toen ze naar onze stranden kwamen. Ik erken de schuld van dankbaarheid jegens die edele harten. Ik weet dat het Spanje van toen overvloed van helden in alle standen telde, zoowel in ’t godsdienstige als in ’t politieke, in ’t burgerlijke en in ’t militaire. Maar omdat de voorouders deugdzaam waren, zouden we daarom nu misbruiken in hun ontaarde afstammelingen maar moeten dulden? Omdat men ons een groote weldaad heeft aangedaan, zouden we nu schuldig zijn, door te beletten, dat men ons kwaad doet? Het land vraagt geen afschaffing, ’t vraagt alleen hervormingen die de nieuwe omstandigheden en nieuwe behoeften vereischen.”