Note 2 — IV. Ketter en opstandeling.
Abraham Anthony Fokker translation
“’t Gebeurde op een dag, terwijl hij bezig was een papier dat men hem in een winkel gegeven had te keeren en te draaien, met de bedoeling om het recht voor zich te krijgen, dat een schooljongen zijn kameraden naar hem wees, hem uitlachte en uitjouwde. De man hoorde het gelach, en zag een lachje spelen op de ernstige gezichten van de omstanders. Hij verloor zijn geduld, keerde zich snel om en begon de jongens na te loopen, die onder ’t wegloopen hem toeriepen, ‘ba, be, bi, bo, bu.’ Blind van woede en niet in staat ze in te halen, smijt hij zijn stok naar hen, en die raakt er een op ’t hoofd, zoodat hij neervalt. Daarna loopt hij op hem toe, trapt en schopt hem, en geen van allen die hem bespot hadden, had de moed om tusschenbeide te komen. Tot zijn ongeluk kwam uw vader daar voorbij: woedend loopt hij op den belastinggaarder af, grijpt hem bij zijn arm en maakt hem uit voor al wat leelijk is. De man, die zeker alles rood zag van woede heft zijn hand op, maar uw vader gaf hem den tijd niet, en met de kracht die zijn Baskische afkomst verraadt ...sloeg hij hem volgens sommigen; anderen zeggen dat hij hem alleen maar een duw gaf. Maar in allen gevalle: de man wankelde, viel eenige passen verder neer en met zijn hoofd tegen een steen aan. Don Rafael nam kalmpjes den gewonden jongen op en bracht hem naar de rechtbank. De gewezen kanonnier braakte bloed en kwam niet meer bij: eenige minuten later was hij dood. Zooals natuurlijk was kwam de justitie tusschenbeide; uw vader werd gevangen genomen en toen verhieven zich al zijn verborgen vijanden. ’t Regende van lasterlijke aantijgingen: hij werd aangeklaagd als opstandeling (filibustero) en als ketter. Ketter te zijn is overal een groot ongeluk, vooral in dien tijd, toen de provincie bestuurd werd door een ‘alcalde’, die zich op zijn vroomheid liet voorstaan, die met zijn bedienden hardop zijn rozenkrans bad; misschien deed hij het opdat iedereen hem hooren en met hem samen bidden zou. Maar filibustero is erger dan ketter en veel erger dan drie belastinggaarders vermoord te hebben, die allen lezen en schrijven kunnen. Iedereen viel hem af. Zijn papieren en boeken werden in beslag genomen. Men beschuldigde hem dat hij geabonneerd was op de Correo de Ultrámar en op de kranten van Madrid, dat hij u naar Duitsch-Zwitserland gezonden had, dat men bij hem gevonden had brieven en een portret van een veroordeelden priester, en weet ik wat niet al. Uit alles werden aanklachten gehaald, zelfs uit het feit dat hij een inlandsche ‘Camisa’ [soort lange kabaai2] droeg, terwijl hij afstammeling van echte Spanjaarden was. Als ’t een ander man was geweest, zou uw vader allicht gauw op vrije voeten gesteld zijn, want er was een dokter die den dood van den belastinggaarder aan een congestie toeschreef; maar zijn fortuin, zijn vertrouwen in ’t gerecht en zijn haat aan alles wat niet wettig of rechtvaardig was, brachten hem ten val. Ik zelf, al heb ik er een afkeer van om iemands genade in te roepen, ik ging naar den Capitán-General, onzen landvoogd vóór dezen dien we nu hebben. Ik legde hem uit dat iemand, die iederen Spanjaard, arme of landverhuizer in zijn huis ontvangt, hem spijst en huisvest en in wiens aderen nog het edele Spaansche bloed bruist, onmogelijk een ‘filibustero’ kon wezen. Tevergeefs stond ik er met mijn hoofd voor in, zwoer ik bij mijn armoede en mijn militaire eer. Ik kreeg alleen gedaan, dat ik slecht ontvangen, nog slechter weggezonden werd en den bijnaam opliep van ‘Chiflado’ (niet recht wijs).”