Note 1 — XXV. De vooravond van ’t feest.
Abraham Anthony Fokker translation
In ’t midden staat een fraai nagemaakte ananas, waarin tandestokertjes gestoken zijn, ’t keurige snijwerk der dwangarbeiders, dat ze in hun rusttijd vervaardigd hebben. Men ziet daar een waaier, een ruikertje, een vogel, een roos, een palmboom en eenige kettinkjes, alles uit één stuk hout gesneden. De kunstenaar is een veroordeelde, het werktuig een slecht mes, en de inspiratie de stem van den mandoer. Aan weerszijden van deze ananas—die palillera, dat is tandestoker-houder heet—verheffen zich op glazen vruchten-schalen heele pyramiden van sinaas-appelen, langsoen’s1, srikaja’s, sawomanila’s2 en zelfs mangga’s, ofschoon ’t reeds November was. Dan volgen op groote schotels, neergelegd op uitgesneden en bontgekleurd papier Europeesche en Chineesche hammen, een groote pastei in den vorm van ’t “Lam Gods” of van een duif—de Heilige Geest wellicht—gevulde kalkoenen enz. En tusschen deze in staan de dik-lijvige atjar-flesschen grillig versierd met uitknipsels van pinang-bloesem, bladgroenten en vruchten, die met stroop op den buitenwand der flesschen geplakt zijn.