Note 1 — X. Het dorp.
Abraham Anthony Fokker translation
Van boven uit de kerktoren heeft men een prachtig panorama. Te midden van die opeenhooping van daken van nipah, pannen, zink en “cabonegro” (idjoek),1 gescheiden door moes- en bloemtuinen, onderscheidt een ieder van die hoogte zijn huisje. Alles dient er tot kenmerk: een boom—de fijnbebladerde asem—, de met vruchten beladen klapperboom, een buigzaam riet, een pinang-palm, een kruis. Daar ginds is de rivier, een reusachtige kristallen slang, slapend in het groene kleed. Van afstand tot afstand breidelen rotsblokken, in ’t zandig bed verspreid haar loop; verderop vernauwt ze zich tusschen twee hooge oeverkanten, waaraan boomen met ontbloote wortels zich stuipend vastklampen. Hier weer vormt zich een zachte glooiing, en de rivier wordt breeder en verlangzaamt haar stroom. Ginds, iets verder staat op den hoogen oever een huisje gelijk een ontzaggelijke steltlooper op dunne pooten boven den afgrond, als spiedend, om zijn prooi in het water te bespringen. Palmstammen of boomen met den bast er nog aan, wiebelend onvast, verbinden de beide oevers. En zijn ’t ook slechte bruggen, ’t zijn daarentegen prachtige gymnastiek-toestellen, om ’t evenwicht op te houden. En dat is ook niet te versmaden: de jongens die in de rivier baden, vermaken zich daar met de angst-bewegingen der vrouw, die er over gaat met een mand op het hoofd, of met den ouden man, die bevend voortstapt en zijn stok in ’t water laat vallen.