Note 3 — I. Een avond-partijtje.
Abraham Anthony Fokker translation
De ander daarentegen, die Franciskaner was, sprak druk en gesticuleerde nog meer. Ten spijt van zijn haren, die reeds grijs begonnen te worden, scheen zijn stevig gestel zich goed te houden. Zijn regelmatige trekken, zijn weinig geruststellende blik, zijn breede kaken en herkulische vormen gaven hem het aanzien van een vermomd Romeinsch patriciër en onwillekeurig herinnerde hij u aan een van de drie monniken, waarover Heine spreekt in zijn “Goden in ballingschap”, die op de September-nachtevening, ginds in Tyrol, te middernacht in een bootje een meer over voeren, en telkens in de handen van den armen veerman een zilveren munt achterlieten, koud als ijs, hetwelk hem met ontzetting vervulde. Evenwel was Fray Dámaso niet geheimzinnig zooals zij: hij was vroolijk, en hoewel zijn stem bruusk klonk, als van een man, die nog nooit verlegen gestaan heeft, die al wat hij zegt voor heilig en onverbeterlijk houdt, zijn opgewekte en vrijmoedige lach wischte dezen onaangenamen indruk dadelijk uit, en zelfs zag men zich gedwongen hem te vergeven, dat hij daar in de zaal een paar voeten zonder sokken en behaarde beenen vertoonde, die stellig een fortuintje zouden opgebracht hebben aan een Mendieta op de kermissen van Quiapo.3