Note 13 — 1913–1915.
Reading edition
Om den hals of om het voorhoofd veelal een kransje, zoo al niet van kralen, dan van bamboevruchtjes; vaak ook een zakje van gevlochten melindjoe13-touw, een netje a.h.w., waarin eenige eetwaar als sago en een stukje varkensvleesch. Om het middel een touw van melindjoe-bast, een oneindig aantal malen om de heupen gewonden; deze meer beschaafde bezoekers hadden er als schaambedekking een doekje doorheen bevestigd, maar ook dit partijtje gaat nooit los. Een dergelijke menigvuldige omwinding, doch van de onderarmen, zagen wij bij andere stammen in deze buurt. Rond de bovenarmen en onder de knie vaak een ring van rottan of fijne boomvezels. Sommigen droegen ook “bretels”.