Note 41 — 1913–1915. (continued 3)
Reading edition
Want de Eerste Kloof was verschrikkelijk! De stroomversnelling was zoo hevig, dat overal gevaar dreigde. Een poging der Dajaks, om bij het ontdekken van het gevaar nog den wal te halen, was volkomen vruchteloos; een geweldige zuiging trok ons mee. Een golf sloeg mijn prauw halfvol water, wierp ons daarna tegen een steilen rotswand. Ik dacht niet anders dan dat mijn prauw zou splijten, doch zij hield uit. We roeiden als bezetenen om vrij te blijven van de steenen en een jagende stroom sleepte ons mee. De prauw van Makatipu, een groote als de mijne, verging het evenzoo; dezelfde kolk wierp hem tegen de steenen; ook zij kwamen vrij. Naar de drie andere prauwen keek ik niet meer, die waren kleiner, die gaf ik verloren; helpen was onmogelijk geweest, wij hadden genoeg aan onszelf. De heele kloof van 2 KM. waren we in een paar minuten door. Toen ademde ik op, de kloof was uit, we passeerden het oude vervallen Motorbivak. Ik hield er stil, wachtte op de anderen. Makatipu kwam, een poosje nog, en toen de anderen, een voor een. Goddank, geen ongelukken. Allen zagen bleek van schrik, zooiets had men nog niet beleefd. Eerst toen wij de Marinevallen waren gepasseerd, zei Noer, mijn jongen: “saja hidoep!”41 Doch voorloopig was het stil in de prauwen.