← Table of contents
Nieuw-Guinee en de exploratie der "Meervlakte"

Note 37 — 1913–1915. (continued 3)

Reading edition

De avond van 21 November dan, toen wij ons ter ruste begaven, gaf weer het gewone onweersverschijnsel, maar het verontrustte mij niet. Na den prauwenwachten goede zorg op het hart te hebben gedrukt, viel ik in slaap, werd echter een uur later wakker door klaterenden regen. En die hield niet op, hield uren aan. Omstreeks middernacht drong van beneden het geschreeuw der prauwenwachters tot mij door; de schildwacht kwam waarschuwen, doch ik was de klamboe al uit. Ik begreep het al; de kleine rivier bandjirde en mijn prauwen lagen beneden! Ik schreeuwde: “orang kaloewar, orang kaloewar!”37 en in een drom gingen wij naar beneden, de stormlantaarns in de hand. Het regende en het woei, het was hondenweer en stikdonker; sommige der lantaarns woeien uit. Wij glibberden de hooge helling af tot we aan het water kwamen. Hier zag men bij een bliksemflikkering af en toe een woest schouwspel; het rustige beekje van den middag was weg, een woeste stroom vloog ons voorbij en op haar golving dansten mijn vier prauwen en beukten tegen elkaar. Ieder deed zijn best om te redden wat mogelijk was; doch de donkerheid en het tumult van den stroom maakten samenwerking en het geven van orders onmogelijk. Daar danste reeds een prauw weg en toen, nog wat worstelen, nog wat trekken.... toen trokken de Dajaks me weg: het werd gevaarlijk hier: de boom, waaraan nog drie der prauwen lagen, raakte los, dreef weg! Weg alles, het werk van zooveel dagen....

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings