Note 9 — NIETZSCHE ALS PHILOSOOF. (1878–1888).
M. François-Merkus translation
Van af 1882 echter begint de toon van Nietzsche’s werken onmerkbaar te veranderen; wel zet hij tot het einde toe den strijd voort tegen de meeningen van zijn tijd en zoo draagt een zijner laatste werken, Götzendämmerung, den beteekenisvollen bijtitel: Wie man mit dem Hammer philosophirt en komen in de Genealogie der Moral en in de Antichrist somtijds ongehoorde aanvallen op het Christendom en op diens ascetisch ideaal voor, maar tusschen het oorlogzuchtig trompetgeschal, de kreten van woede en haat en de uitingen van bitteren spot door klinken nu de lyrische, geestdriftvolle tonen van een zegelied. Na vele jaren van ziekte en lijden, waarin hij van den eenen dag op den andere leefde in voortdurende afwachting van den dood, herademt hij en droomt hij weer van betere dagen. „Dit boek, zeide hij, sprekende van Die fröhliche Wissenschaft, dat in 1882 geschreven was, is slechts de vreugdekreet, die op lange dagen van ellende en onmacht volgde, het is de juichende zang van de wederkeerende krachten, het herlevend geloof in een morgen en een overmorgen, het plotseling besef en voorgevoel van een toekomst, die zich voor mij opende, van aanstaande avonturen, ruime zeeën en nieuwe doeleinden, waarnaar ik streven kon, waarin ik gelooven kon.”9 Hij ontkwam aan de heerschappij zoowel van de ziekte, die den horizon van zijn leven verduisterde, als van zijn onhandelbaren trots, die niet buigen wilde voor smart en zichzelf dwong het hoofd op te houden krachtens het fiere grondbeginsel, „dat een zieke het recht niet heeft pessimist te zijn.”10 Nu gevoelde hij de vreugdevolle opwinding van herwonnen gezondheid en het was hem als eene zonnige lente na een strengen winter. Die gemoedsstemming stond hem niet toe zich langer tevreden te stellen met het ideaal van den „vrijen geest”, zooals hij het in zijn Menschliches beschreven had; want dien „vrijen geest” ontbrak het aan vreugde; het leed had hem eenigszins somber gestemd en hij had zich nog niet geheel losgemaakt van den geest der traagheid, van „dien hoogen, almachtigen demon, dien men als den meester der wereld beschouwt”11; hij kon nog niet „dansen” en zich vrij en vroolijk op den stroom van het leven bewegen. Dan ontwaakt in Nietzsche’s denken een nieuw visioen van de toekomst en zijne kunstenaarsverbeelding toovert hem de schitterende figuur van den profeet Zarathustra voor, van den man, die, na een tienjarig verblijf in de woestijn, „waarin hij opging in het genot van zijn denken en zijne eenzaamheid”, zich tot de menschheid begeeft om haar den godsdienst van den „Uebermensch” en den leer van het „Eeuwig Wederkeeren” te verkondigen, den man, die in zijn eenzame grot de zuiverste exemplaren der verhevene, maar lijdende menschheid, de „menschen van het groot verlangen, van de diepe verachting en van de grootste walging”, die eenmaal plaats moeten maken voor den „Uebermensch”, om zich heen vereenigt, hen van hun pessimisme geneest door hun het visioen der toekomst voor oogen te houden en ten slotte sterft op het oogenblik, dat hij den hoogsten graad van wijsheid bereikt en dat de zon van zijn bestaan in het zenith staat, op het groote „middaguur” den zegepraal van zijn leer met zijn dood bekrachtigende.