Note 7 — NIETZSCHE ALS PHILOSOOF. (1878–1888).
M. François-Merkus translation
Het ideaal van het leven, zooals Nietzsche het zich voorstelt, komt in die dagen eenigszins het ideaal van den positivist nabij. Hij neemt aan, dat zich in de eerste dertig levensjaren van elk sterveling in zekeren zin eene evolutie herhaalt, die de geheele menschheid wellicht dertig duizend jaren heeft gekost. In zijne kinderjaren is de moderne mensch godsdienstig; dan verliest hij het geloof in God en de onsterfelijkheid en vindt hij gedurende eenigen tijd zijn steun in de strengere bekoring der metaphysica, doch ook deze bevredigt hem weldra niet meer en wordt hem gaandeweg slechts een aesthetisch geloof, eene warme vereering van de kunst. Ten slotte laat de wetenschappelijke geest zich meer en meer gelden en drijft den mensch tot een nauwkeurige studie van geschiedenis en natuur, en in den man der wetenschap, „den vrijen geest”, die zich van alle illusie en vooroordeel heeft losgemaakt, ziet Nietzsche gedurende eenigen tijd het schoonste type der hoogstaande menschheid. De vrije geest is een „intellectueel pessimist” en moet eene sterke, moreele gezondheid bezitten om zich niet tot wanhoop en nihilisme te laten gaan, want niet ongestraft kan de mensch den sluier der dwaling, die hem van alle kanten omringt, verscheuren en de werkelijkheid in de oogen zien. „Het geheele menschelijk leven is diep in dwaling verzonken en het individu kan het uit die put niet verlossen zonder door en door vijandig gestemd te worden tegen zijn verleden, zijne tegenwoordige drijfveeren bespottelijk te vinden en met smaad en verachting neer te zien op de hartstochten, die ons doen hopen op de toekomst en op een toekomstig geluk.”7 Hij kan evenwel, zoo hij een moedig en energisch temperament bezit, in zijne wetenschap zelve de beweegredenen vinden om niet aan wanhoop toe te geven: pessimistische kennis bevrijdt hem n.l. van de zorgen, die den alledaagschen mensch vervolgen en, waar hij geen belang meer stelt in datgene, dat waarde heeft voor alle anderen, geniet hij te meer en te vrijer van het aanschouwen der dingen; vrij van alle vrees is het hem een genot boven de menschelijke beweging, boven gewoonten, vooroordeelen en wetten te zweven; hij leeft uitsluitend om zijne kennis te verrijken en vindt zijne grootste belooning in het begrijpen in en om zich van de noodzakelijke wetten der wereld-evolutie en wellicht een voorgevoel te hebben van wat de toekomst van het menschelijk geslacht beduidt. „Meent gij, dat zulk een leven met een dergelijk doel te moeilijk en van alle bekoring ontbloot is? Welnu, dan hebt gij nog niet ondervonden, dat er geen honig zoo zoet is als de honig der wetenschap en dat de drukkende wolken der droefheid als de zware borsten zijn, waaruit gij de versterkende melk zult putten. Wanneer dan de ouderdom komt, zult gij het begrijpen waarom gij de stem van die natuur zijt gevolgd, en hoe die natuur de wereld door het genoegen leidt. Het leven, welks toppunt de ouderdom is, heeft nog een tweede toppunt in de wijsheid, die de uitstraling van eene bestendige vreugde is en beide, wijsheid en ouderdom zult gij vinden op den top van uwen laatsten opgang, want zoo heeft de natuur het gewild. Dan slaat de ure,—berust er in—dat de nevel des doods nadert. Moge dan uwe laatste beweging een oprichten naar het licht en uw laatste zucht een zegelied der wijsheid zijn!”8