Note 6 — NIETZSCHE ALS PHILOSOOF. (1878–1888).
M. François-Merkus translation
In Der Wandrer und sein Schatten tracht Nietzsche „die schaduw te onderzoeken, die uit alle dingen vloeit zoodra de zon der kennis ze beschijnt”6; want al te goed weet hij welk eene verkeerde voorstelling men zich van alles maakt, wanneer men het alleen onder het licht der idealistische kennis bestudeert, daar men dan alleen de verlichte zijden ziet, terwijl de schaduwzijden voor den blik verborgen blijven, en daarom moet de denker, die zich een volledig beeld der werkelijkheid wil scheppen, haar ook van de donkere zijde leeren bezien. In de Morgenröthe eindelijk onderwerpt Nietzsche die waarde aan de critiek, die door den mensch te allen tijde als de hoogste waarde wordt beschouwd, n.l. het geloof aan de moraal. Hij toont aan, dat het gevoel van plicht niet uit een bovennatuurlijken oorsprong voortkomt en evenmin van overheerschende of besliste waarde is, dat er geen eeuwige en onverzettelijke wet bestaat voor goed en kwaad en dat de moraal, die den mensch dwingt jegens zichzelf waar te zijn ten koste van alles, ten slotte zichzelve vernietigt: de mensch wordt „immoralist” door de moraal, evenals hij atheïst wordt door den godsdienst: zijn intellectueele eerlijkheid dwingt hem er toe zijne critiek op de moraal zelve toe te passen en de wettigheid van hare leerstellingen in twijfel te trekken.