Note 1 — NIETZSCHE ALS PHILOSOOF. (1878–1888).
M. François-Merkus translation
Niet met juistheid kennen wij de ziekte, waaraan Nietzsche geleden heeft en zij schijnt ook de doktoren, die hem behandelden, in verlegenheid gebracht te hebben. Zijne zuster, die hem meermalen met bewonderenswaardige toewijding heeft opgepast, geloofde, dat zijne ziekte accidenteel en niet aangeboren was: naar haar oordeel lag de oorzaak in de ziekte, die hij in 1870 in de ambulance had opgedaan en waarna hij, in plaats van langen tijd rust te zoeken tot herstel van de ondervonden physieke en moreele schokken, slechts half beter zijnde, opnieuw aan het werk was getogen. Volgens mevrouw Förster-Nietzsche was de gezondheid van haren broeder langzamerhand vernietigd door overwerking, gepaard aan slechte hygiène en misbruik van medicamenten. Toch is het moeilijk, wanneer men den aard van Nietzsche’s ziekte kent, geheel de hypothese van een erfelijken invloed van zich af te zetten, en Nietzsche zelf bedroog zich daaromtrent niet, want hij was er van overtuigd, dat de kiem zijner ziekte van zijnen vader kwam en gedurende zijn hevige crisis in 1880 verwachtte hij elk oogenblik „de cerebrale congestie” die hem uit zijn lijden zou verlossen.1 Hieruit mag men echter niet besluiten, dat in Nietzsche de waanzin verborgen gehuisd heeft gedurende zijn geheele leven en op al zijne werken invloed heeft uitgeoefend. Weliswaar heeft het gerucht geloopen, dat Nietzsche herhaalde malen in een gesticht werd geïnterneerd en „dat hij zijne voornaamste werken geschreven zou hebben tusschen twee verblijven in een krankzinnigengesticht”2, maar die praatjes zijn zoowel door Nietzsche zelf in het laatste jaar van zijn bewust leven3 als door de personen zijner omgeving aan wier getuigenis men zonder bepaalde tegenbewijzen moeilijk zou kunnen twijfelen, categorisch weerlegd. Zelfs schijnt de ziekte, ook gedurende de hevigste aanvallen, bij hem geen enkele intellectueele dwaling te hebben veroorzaakt, welk feit herhaaldelijk door Nietzsche, zoowel als door zijne zuster bevestigd werd. Zoo schreef hij in 1888: „Gedurende de martelingen, die mijn hoofd mij deed ondergaan, gepaard met brakingen drie dagen achtereen, behield ik eene buitengewone helderheid van denken en kon ik met groote koelbloedigheid vraagstukken oplossen, waarvoor ik in normalen toestand, de noodige vlugheid of scherpzinnigheid, de noodige koelheid van hoofd mis.… Alle ziekelijke troebelen van het verstand, zelfs die halve verdooving, die koorts meebrengt, zijn mij tot den huidigen dag vreemd gebleven.”4 „Mijn pols,” schreef hij ook, „was even langzaam als die van Napoleon I (= 60).” Toch dient gezegd te worden dat Nietzsche’s voornaamste werken behooren tot de dagen tusschen 1882 en 1887 toen zijn toestand veel beter werd. En ten slotte blijkt het, dat zijn waanzin zeer plotseling is uitgebroken. Noch in zijne geschriften, noch in de brieven, die hij einde 1888 tot den beroemden Deenschen criticus Brandes richtte, kan men het minste teeken van waanzin vinden: hoogstens vindt men in de allerlaatsten eenige symptomen van ziekelijke opwinding. Daarentegen liet een briefje, dat hij op 4 Januari 1889 aan Brandes schreef, geen twijfel meer toe omtrent Nietzsche’s geestestoestand:5 dat was wel het werk van een krankzinnige.