Note 20 — Negatief gedeelte: De Mensch.
M. François-Merkus translation
Zoo is ook de wil, die dien God zoekt, niet anders dan de zucht naar het niet. Nu nog hebben de meest vooruitstrevende wijsgeeren, zij, die zich vrij van allen godsdienst en alle vooroordeel wanen, een onverzettelijk geloof in de waarheid en al die sceptici, die „objectieven”, die agnostici, die zich op stoicynsche wijze alle onbewijsbare hypothesen ontzeggen, die zich aan het vaststellen van kleinigheden houden om alle haastige generalisatie en de daaruitvolgende fouten te vermijden, die geen „ja” of „neen” willen uitspreken over alle vraagstukken, die aan twijfel onderhevig zijn—al die goede geesten, die „nauwgezetten van geest” die de intellectueele en moreele keur der menschheid voorstellen, zijn eigenlijk asceten. Laten wij hun geloof slechts ontleden. De wil om tot elken prijs de waarheid te bereiken kan op twee manieren verklaard worden; het kan beduiden: „Ik wil onder geen enkele voorwaarde bedrogen worden,” of: „Ik wil onder geen voorwaarde anderen of mijzelven bedriegen.” De eerste verklaring nu is onwaarschijnlijk. De mensch zou zeker uit voorzichtigheid en uit vrees naar waarheid kunnen verlangen, zoo het hem duidelijk was, dat waarheid bovenal weldadig werkt; maar dat is niet zoo en wanneer ooit eene „waarheid” zich gaandeweg aan verlichte geesten opdringt, is het wel deze, dat illusie minstens even weldadig en even noodzakelijk voor de menschheid is als „waarheid.” Voor Nietzsche is illusie en leugen wellicht de hoofdvoorwaarde van het leven. „Het verkeerde van een oordeel,” zegt hij, „is voor ons niet een bezwaar tegen dat oordeel, en juist op dat punt klinkt onze taal wellicht het zonderlingst in moderne ooren. Voor ons is de quaestie als volgt: in hoeverre is dat oordeel nuttig voor het behoud en de ontwikkeling van het leven, voor het behoud of de verbetering van de soort? En in beginsel zijn wij geneigd te beweren, dat de meest onjuiste meeningen (in de eerste plaats behooren daartoe de synthetische meeningen) in onze oogen het onmisbaarst zijn; dat, wanneer de menschheid weigerde de verzinsels der logica aan te nemen, de werkelijkheid naar de zuiver denkbeeldige wereld van het onvoorwaardelijke, het absolute te meten en het leven voortdurend naar die waarde te vervalschen, zij niet zou kunnen leven; dat afzien van verkeerde begrippen zooveel als afzien van het leven, de ontkenning van het leven zou zijn.”20 Zoo evenwel leugen weldadig en waarheid noodlottig kan zijn—wat ook de moderne belijder van de waarheid tot elken prijs wel voelt—streeft de man der wetenschap dus niet naar waarheid uit eigenbelang of uit vrees, maar alleen, omdat hij onder geen voorwaarde zichzelf of anderen bedriegen wil. In zijne ziel en in zijn geweten kent hij de waarheid een zoo hoogen prijs toe, dat alles, tot zelfs het geluk en het bestaan der menschheid er aan onderworpen moeten worden. Hij gelooft in de waarheid als in eene absolute, metaphysische waarde, of om het duidelijk te zeggen: hij noemt „waarheid” wat de Christen „God” noemt. En Nietzsche besluit: