← Table of contents
Nietzsche's Philosophie

Note 14 — Negatief gedeelte: De Mensch.

M. François-Merkus translation

Hoe groot is zijne dwaling! welk een afgrond scheidt niet dat schoone type, den godsdienstmensch met zijn sterken wil, den mensch, die weliswaar ziek is, maar dank zij dien wil zegerijk tegen zijne ziekte strijdt, dien schepper van waarden, die zich zeker voelt van het doel, waarnaar hij streeft—en den braven geleerde, „den verwaanden dwerg,” die in zichzelf noch in wetenschap gelooft en werktuigelijk, mechanisch werkt om zich te bedwelmen, om niet tot nadenken te komen en alle lastige problemen van zich af te schuiven, die weliswaar een geschikt arbeider, nuttig in zijne soort als landman, metselaar of schrijnwerker, maar tevens door en door middelmatig blijkt te zijn, goed om door anderen geleid en gedrild te worden, maar volkomen de kracht missende om eene nieuwe waarde te scheppen en lang en krachtig een wil te willen.14 En zelfs wanneer wij ons dat middelmatig type in zijne hoogste volkomenheid denken en ons de verwezenlijking van den objectieven mensch, in wien zich het zuiverste wetenschappelijk instinct, geheel onbezoedeld ontwikkeld heeft, voorstellen—wat verkrijgen wij dan nog? Niets meer dan eenen spiegel, d.w.z. een werktuig en geen wil. „De objectieve mensch, zegt Nietzsche, is een spiegel, steeds klaar staande om den indruk op te vangen van al wat gekend wil worden; voor geen andere vreugde toegankelijk dan kennen en „weerspiegelen”, wacht hij, totdat de dingen naar hem toe komen en dan ontplooit hij zich tot eene zoo effen, gevoelige oppervlakte, dat de lichtste voetstappen en het schuiven van een spook zelfs eenen indruk moeten achterlaten op de zachte huid. Wat hij dan nog overhoudt aan „persoonlijkheid” komt hem toevallig, willekeurig en dikwijls lastig voor, zoozeer is hij er aan gewoon geraakt niets meer te zijn dan eene halte, waar vreemde vormen en dingen hunnen indruk achterlaten. Hij heeft geen wil en geen tijd meer om zich met zijn eigen ik bezig te houden en hij is kalm, niet bij gebrek aan zorgen, maar omdat hij zijne persoonlijke zorgen niet durft aanraken en behandelen. Eischt men van hem liefde of haat,—ik bedoel liefde of haat, zooals God, de vrouw en het dier die opvatten,—dan doet en geeft hij wat hij kan, maar het moet u niet verbazen zoo het niet veel is en zoo hij, juist op dat punt, „zwak getint”, broos, raadselachtig en onstandvastig blijkt te zijn. Zijne liefde is gewild en zijn haat is een kunstmatig product, eene handigheid, iets ijdels en overdrevens. Hij is alleen „juist getint”, naarmate hij objectief kan blijven en alleen in zijn kalm universalisme is hij nog „natuur” en „natuurlijk”. Zijne steeds effen gladgestreken ziel kan geen „ja” of „neen” meer zeggen; hij beveelt niet en vernietigt evenmin: „Ik veracht bijna niets,” zegt hij met Leibniz.”15 Kortom, de objectieve mensch is ook niets meer dan een werktuig, een zeldzaam zuiver, fijn, zeer verstelbaar en zeer kostbaar werktuig, maar, evenals de arbeider der wetenschap „eene soort slaaf,” want hij heeft een meester noodig, die hem voor een of ander doel gebruikt. Door zichzelf is hij niets, „bijna niets”; hij is het doel niet, dat de menschheid beoogt en evenmin het uitgangspunt van eene nieuwe beweging; hij is geen eerste oorzaak en evenmin een meester, maar alleen een leege, buigzame vorm, die zich naar elke soort inhoud kan wijzigen, een veronpersoonlijkt mensch „in het geheel niet iemand voor eene vrouw, tusschen twee haakjes,” eindigt Nietzsche ironisch.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings