Note 13 — Negatief gedeelte: De Mensch.
M. François-Merkus translation
Zoo om te beginnen de „gewone” geleerde, de eerzame werkman in de wetenschap. Nietzsche vergelijkt hem oneerbiedig met eene oude jongejuffrouw, want evenals zij is hij onvruchtbaar, hoogst eerbaar, eenigszins belachelijk en in zijn hart weinig ingenomen met zijn lot. „Laten wij eens van nabij zien, voegt hij er bij, wat de man der wetenschap beduidt. In de eerste plaats behoort hij tot een niet edel geslacht, dat de deugden der niet edele geslachten bezit, m.a.w. de deugden der geslachten, die niet heerschen, die geen macht hebben en zichzelve niet kunnen bevredigen; hij is een arbeider, die zich gewillig laat indeelen, weet altijd zijn evenwicht te bewaren en overschrijdt de middelmaat niet, in kunde noch in behoeften; hij ontdekt instinctmatig zijne gelijken en begrijpt wat zij noodig hebben, als b.v. het kleine hoekje onafhankelijkheid, waar buiten men niet rustig werken kan, de noodige schatting van eerbetoog en goedkeuring, den zonnestraal van roem en de voortdurende toewijding van eigen waarde en nut, die onvermijdelijk is, wil men het zelfwantrouwen, dat diep in het hart van alle afhankelijke menschen, van alle „dieren eener kudde” schuilt, steeds opnieuw bedwingen. De geleerde heeft billijkerwijze ook de kwalen en gebreken van een niet edel geslacht: hij is vervuld van kleinzieligen nijd en ontdekt met den blik van den lynx al wat laag is in eene natuur wier grootheid voor hem onbereikbaar is. En wat bovenal den geleerde slecht en gevaarlijk maken kan is zijn geheim bewustzijn van de middelmatigheid van zijn geslacht, dat jezuïtisme der middelmatigheid, dat instinctmatig den ondergang van den uitzonderingsmensch bevordert en steeds elken gespannen boog tracht te breken of eigenlijk te ontspannen, wel heel voorzichtig met zorgzame hand en een indringerig medelijden, maar niettemin te ontspannen, want het jezuïtisme houdt er de bijzondere kunst op na steeds het uiterlijk van den godsdienst van het medelijden aan te kunnen nemen.”13 De geleerde is, over het algemeen, ongetwijfeld geheel los van alle positief geloof en vooral den Duitschen geleerde kost het moeite het probleem van den godsdienst ernstig op te vatten; hij is geneigd neer te zien op den godsdienst en ondervindt een natuurlijken afkeer van de intellectueele onoprechtheid, die hij bij alle geloovigen veronderstelt; alleen door de geschiedenis te bestudeeren wordt het hem mogelijk zich tot een zekeren eerbied, vermengd met vrees of dankbaarheid voor het werk, dat de godsdienstige mensch verricht heeft, te verheffen, maar die eerbied blijft geheel intellectueel, want zijne eigen gevoelens maken hem alle sympathie voor den persoon onmogelijk en doen hem in de practijk den godsdienstigen mensch en zijns gelijken ontwijken; in den grond van zijn hart is hij doordrongen van het idee, dat de geloofsmensch een „lager” menschelijk type is, dat verre wordt overtroffen door den man der wetenschap.