← Table of contents
Nietzsche's Philosophie

Note 11 — Negatief gedeelte: De Mensch.

M. François-Merkus translation

De tegenwoordige tijd neemt even ongaarne dat natuurlijk antagonisme tusschen man en vrouw als de even natuurlijke tegenstelling tusschen man en slaaf aan, en evenals men getracht heeft den slaaf te verheffen, zoo tracht men de vrouw te vergoden. Nietzsche nu is verre van den eeredienst van het „ewig weibliche” als wettig te erkennen en in de vrouw een hooger wezen met meer verfijnde neigingen en een juister moreel gevoel te zien, een wezen, dat de macht heeft de menschheid tot haar hoogste doel te voeren. Volgens hem behoort den man de hoofdrol; hij moet de meester en de gevreesde meester zijn, want hij heeft de grootste physieke kracht, het meest ontwikkeld verstand, het edelmoedig hart en den vasten, energischen wil. De vrouw is „bedachtzaam”; zij bezit in hoogere mate dan de man een zeker practisch verstand, dat haar de dingen naar waarde doet schatten en haar vlug de middelen doet vinden om het gegeven doel te bereiken; maar haar aard is minder rijk en minder diep dan die van den man; zij blijft meer aan de oppervlakte der dingen, is beuzelachtig en somtijds bekrompen en pedant. „De man moet voor den strijd worden opgeleid, leert Zarathustra, en de vrouw voor de ontspanning van den strijder; al het overige is dwaasheid.”11 De vrouw is geen afgod; zij is slechts een breekbaar en kostbaar stuk speelgoed, dat evenwel ook gevaarlijk is en daardoor voor den man des te meer waarde heeft. Zij is te duchten zoodra hartstocht, hetzij liefde of haat, haar verteert, want in haar meer dan in den man bleef de oorspronkelijke ongebondenheid der neigingen behouden; men vindt bij haar de sluwe lenigheid van de kat, den klauw van den tijger, die zich plotseling onder den fluweelen poot doet gevoelen, de naïeve zelfzucht, de onhandelbare, tegenstrevende natuur en de verwarrende, onlogische zonderlingheid van hartstochten en verlangens. Daarom heeft zij een sterken meester noodig, die in staat is haar te leiden en zoo noodig hare buitensporigheden tegen te gaan. Maar al boezemt zij aan den eenen kant vrees in, aan den anderen kant kan zij ook betooveren door hare teere, fijne bevalligheid, door de gave om zich te tooien, zich physiek en moreel onder duizend verschillende vormen te vertoonen; en bovenal boezemt zij medelijden in, heel veel medelijden, omdat zij meer blootgesteld schijnt te zijn aan smart, omdat zij lichter te treffen is, meer liefde behoeft en tot meer ontgoocheling is gedoemd dan alle andere schepselen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings