Note 7 — Negatief gedeelte: De Mensch.
M. François-Merkus translation
Zoo wij nu den godsdienst van het lijden niet langer naar zijn gevolgen beoordeelen, maar als een symptoom beschouwen, begrijpen wij onmiddellijk wat de beteekenis er van is. Dat overvloeien van medelijden van den tegenwoordigen tijd is een duidelijk bewijs, dat de mensch de smart hoe langer hoe meer vreest, dat hij verweekt en verwijfd is en dat hij, beheerscht door zijn instinct als lid der kudde, steeds banger wordt voor al wat zijne veiligheid en rust zou kunnen verstoren. Hij ontvlucht niet alleen eigen smart maar kan ook niet langer de gedachte aan smart bij anderen verdragen en zelfs durft hij niet eens meer in naam van het recht doen lijden, wat wel degelijk aan de zwakheid van zijn karakter en volstrekt niet aan zielegrootheid of aan edelmoedige minachting van het geleden onrecht is toe te schrijven. De barmhartige strekt zijn medelijden uit tot over schuldigen en misdadigers. „In het leven der volken komt een oogenblik, waarop de maatschappij zoodanig gezonken en ontzenuwd is, dat zij zelfs partij trekt voor den mensch, die haar schendt, voor den misdadiger en dat nog wel met de meeste ernst. Straffen! het feit op zichzelf van straffen houdt voor hem iets onrechtvaardigs in; en zeker is het, dat de gedachte aan „straf” en aan de „noodzakelijkheid van straffen” hem pijn doet en vrees aanjaagt; zou het niet voldoende zijn den misdadiger onschadelijk te maken? Waarom dan hem straffen!.… „Straffen is zoo pijnlijk!”7 Het ideaal, dat het lid der kudde najaagt, is, dat een ieder de zekerheid van een klein deel geluk met zoo min mogelijk smart verkrijge; het leed wordt beschouwd als „iets, dat afgeschaft moest worden.”8 Nietzsche daarentegen—en dat is misschien eene der schoonste zijden van zijne leer—heeft de overtuiging, dat lafhartigheid, de vrees voor smart eene der verachtelijkste hoedanigheden ter wereld is, want de smart is juist de groote opvoedster der menschheid en heeft haar hare schoonste titels bezorgd: „Gij zoudt zoo mogelijk”—en dat „zoo mogelijk” is de grootste dwaasheid—de smart willen afschaffen. En wij? Wij willen, naar het schijnt, het leven harder en slechter zien worden dan het ooit geweest is! Het welzijn zooals gij het opvat, is geen doel—neen, in onze oogen is dat een einde; een toestand, die den mensch onvermijdelijk tot een belachelijk, verachtelijk wezen en zijne vernietiging wenschelijk zou maken! In de levensschool der smart, der groote smart—weet gij het niet?—onder dien harden leermeester alleen heeft de mensch al zijne vorderingen gemaakt. De spanning van de ziel, die zich onder het gewicht der smart stram zet en sterk leert worden, de siddering, die zich van haar meester maakt als zij voor groote rampen staat, hare vindingrijkheid en haar moed om het ongeluk te dragen, om het uit te staan, het te verklaren en het zich ten nutte te maken, al hare diepte, hare geheimzinnigheid, hare geveinsdheid, hare wijsheid, list en grootheid: heeft zij die niet alle te danken aan de leerschool der smart, gevormd en gefatsoeneerd door de groote smart. In den mensch woont een schepsel en een schepper; er is in hem iets, dat materie, fragment, overbodig, klei, modder, onzin en chaos is; maar er is ook in hem een schepper, een beeldhouwer, de hardheid van den hamer, de bespiegeling van den kunstenaar, de vreugde van den zevenden dag: begrijpt gij die tegenstelling? En ook, dat uw medelijden tot het schepsel in den mensch gaat, tot dat, wat gevormd, gebroken, gesmeed, verscheurd, verbrand, door het vuur gehaald en gezuiverd moet worden, tot dat wat noodzakelijk lijden moet en tot lijden is geschapen? En ons medelijden—begrijpt gij niet, waarheen juist ons medelijden gaat als het zich verzet tegen uw medelijden als zijnde de grootste zwakheid en lafhartigheid? Voortaan dus: medelijden tegen medelijden.”9