← Table of contents
Nederlandsche Volkskunde

Note 2 — De Volkstaal.

Reading edition

Trouwens de gezamenlijke Friesche taal- en volksgroep draagt zoo heelemaal een eigenaardig cachet van vasthoudendheid en vastberadenheid, tweelingstelg uit zijn huwelijk met de zee. Theod. Siebs verklaart den naam Fresa(n) door verwantschap met het Oudhoogduitsche freisôn “in gevaar zweven”, waardoor bedoeld worden de gevaren der zee. De Friesche taal neemt onder de Germaansche talen dan ook een geheel bijzondere plaats in: zij is een tak der Engelsch-Friesche taaleenheid, en het Angelsaksisch—met name het Northumbrisch—bestaat haar het naast in den bloede. De Friezen behooren tot de weinigen, die thans nog wonen, waar zij zich in de oudste tijden vestigden, zij het ook met belangrijke beperking van hun gebied. Het vokalisme is vrij eentonig; zoo b.v. schaap: skieëp; jaar: jieër; rijk: riek; voet: foeët; huis: hoes; deel: deel; steen: stieën; oog: eeag; sturen: stjoere; hand: haan; oud: aald; vogel: foegel; hond: hoen enz.2 De drie persoonsuitgangen eindigen in het meervoud allen op een toonlooze e. De n wordt in de onbepaalde wijs en in de verbuigingsuitgangen na toonlooze e weggelaten. Het verleden deelwoord kent geen voorvoegsel. Een eigenlijk wederkeerig voornaamwoord ontbreekt. Ook het konsonantisme streeft naar eenvormigheid. De groep sk blijft in ʼt begin, midden en einde der woorden: skieëp, woskje, fisk; ch wordt ks: okse, en niet ss als elders. Ook is zangerigheid aan het Friesche taaleigen vreemd,—zegt men niet: “Frisia non cantat”?

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings