← Table of contents
Nederland en de Islâm

Note 8 — V. DUITSCHLAND EN DE HEILIGE OORLOG (1914).

Reading edition

Prof. Hartmann heeft een bijzonder levendig temperament, en ik denk er niet aan, zijne meeningen te onderschrijven of zijne uitdrukkingen van overdrijving vrij te pleiten. Maar in zaakkennis staat hij verre boven Grothe, en wat Turkije betreft, ook boven Becker, naast wien hij de hoofdvertegenwoordiger der Islâm-studie in Duitschland is. Trouwens Becker zelf heeft zich vroeger, zij het in gematigder vorm en ietwat anders genuanceerd, over de Islâm-quaestie ongeveer in denzelfden zin uitgelaten. Becker heeft natuurlijk zelf het eerst den strijd gevoeld tusschen zijn medeschermen, in zijne jongste geschriften, met de begrippen chalief en djihâd en zijne in vroegere tijden van rustigen wetenschappelijken arbeid uitgesproken meeningen. Zelf herhaalt hij de slotphrase van eene in 1910 door hem te Parijs gehouden voordracht: “Si la solidarité de l’Islam est un phantôme, la solidarité de la race blanche est une réalité”, maar thans om den indruk dier woorden te verzwakken, en ze te beperken tot den Islâm der negers in Afrika, die het hoofdonderwerp zijner rede vormden. Waarschijnlijk heeft geen der hoorders die beperking begrepen, daar aan de geciteerde woorden deze onmiddellijk voorafgingen: “de vrees, dat de eene mogendheid zich met den Islâm zou verbinden om de plannen der andere te dwarsboomen, schijnt mij niet zeer gegrond”. Bovendien had Becker vroeger, bijv. in 1904 in een artikel over het Panislamisme8 de panislamitische gedachte als in strijd met de wezenlijke belangen van Turkije voorgesteld, “Die Jungtürken hatten gehofft (na den Russisch-Turkschen oorlog van 1878) durch ihre Reformen gerade jenes religiöse Moment auszutilgen, das den Sultan in erster Linie zum Chalifen, zum Vorkämpfer des Islam machte und so eine gesunde Entwicklung des doch zum grossen Teile aus Christen bestehenden Otmanischen Reiches ausschloss”. En in de Duitsche vertaling9 der zooeven genoemde in 1910 te Parijs gehouden voordracht komt nog het volgende voor: “Das Kalifat des Sultans von Konstantinopel war bis zur jungtürkischen Revolution der Ausgang der türkischen Islampolitik. Zwar hat die junge Turkei die Kalifatansprüche nicht aufgegeben, aber wenn sie sich überhaupt zu einem Verfassungsstaat entwickeln will, wird sie möglichst wenig Gebrauch davon machen mussen ….. Eine starke Türkei wird selbstverstandlich nie die politische Oberhoheit über die islamischen Untertanen anderer Mächte beanspruchen …..”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings