Note 6 — V. DUITSCHLAND EN DE HEILIGE OORLOG (1914).
Reading edition
Overigens zijn, of waren althans vóór dezen oorlog, de meeningen van Duitsche deskundigen over Turkije en over den Islâm, met name over beider vatbaarheid voor hervorming, lang niet algemeen dezelfde, die thans door Grothe en Becker warm verdedigd worden6. Prof. Jos. Marquart, thans hoogleeraar te Berlijn, spot in het Vorwort van zijn werk “die Beninsammlung des Reichsmuseums für Völkerkunde in Leiden” (1913) met “die angebliche Rolle des Islâms als Kulturträger”, en met bijtende ironie spreekt hij van de “Segnungen des Dschihâd, des zur religiösen Pflicht gemachten Raubmordes auf dem Pfade Allahs”, d. i. dus die plicht, die thans door Duitschland aan Turkije weer is ingescherpt. Niet alleen in Duitsche zendingskringen werd de Islâm als de vijand beschouwd, dien men bovenal bestrijden moest, maar op een Duitsch Kolonialkongress werd de resolutie aangenomen: “Da von der Ausbreitung des Islam der Entwicklung unserer Kolonien ernste Gefahr droht, rät der Kolonialkongress zu sorgsamer Beachtung, etc.”