Note 1 — V. DUITSCHLAND EN DE HEILIGE OORLOG (1914).
Reading edition
Men heeft vaak gesproken van eene organisatie van het panislamisme onder leiding van Abdoelhamied. Ten onrechte. In 1897 heb ik, naar aanleiding van eenige vuile, in het geheim verspreide pamfletten, die de intiemste raadgevers van den Soeltan in hun wedijver om diens gunst tegen elkander losgelaten hadden, gepoogd een beeld te geven van de geestelijke atmosfeer, waarin die despoot leefde1, en toen ik in 1908 de eerste twee maanden der revolutie te Constantinopel bijwoonde, vond ik van de juistheid van dat beeld de volle bevestiging2. Die bende van bekrompen kuipers was allerminst geschikt om eene ernstige internationale beweging te leiden. Zij exploiteerden de met enkele Mohammedanen van aanzien uit niet-Turksch gebied aangeknoopte betrekkingen tot verhooging van eigen aanzien en voordeel, zonder werkelijk nut voor de wederopwekking van het doode chalifaat. De vestiging van eenige Turksche consulaten in Mohammedaansche landen onder Europeesch bestuur trof evenmin doel. Men vergat gewoonlijk den consuls hunne tractementen uit te betalen; de consuls kenden niet eens de talen der bevolkingen, waaronder zij leefden, en deden geen moeite om ze te leeren. Hunne meestal zeer “vrijzinnige” levenswijze diende niet om het respect voor hunnen zender te verhoogen.