Note 1 — XX. EENE LINDE.
Reading edition
Linde, de zachte, is haar naam. Zacht is haar loof; zacht is het geruisch van den wind door haar takken; zacht is haar geur; zacht en fijn en buigzaam is haar hout. Zij is van oudsher een lieveling der menschen, onder alle min of meer germaansche volken. Zij was getuige van het maatschappelijk leven der opvolgende geslachten. De eik is en blijft een boschboom, met de eigenaardigheden van dien; om hem te zien in al zijn schoonheid, dient men hem op zijn eigen gebied te bezoeken. Ook de beuk groeit het liefst daar, waar de natuur zelve hem zaaide. Maar de linde, waarschijnlijk oorspronkelijk door menschenhand herwaarts overgebracht,—lindenbosschen komen nergens voor in deze streken, en haar zaden worden bij ons zelden rijp,—is aan de menschelijke woonplaatsen gehecht gebleven, heeft ze beschermd, beschut, versierd, hun lief en leed gedeeld. Ziet in de dorpen. De dorpslinde is in Duitschland en hier en daar in Nederland een levende antiekiteit, wier gemis eene pijnlijke leegte zou laten. Ziet in de steden, in de lente of des zomers, en vraagt hoeveel de teekenachtigheid van onze stadsgezichtjes zou verliezen, indien niet rechts of links zoo’n aardig stukje lindengroen tusschen de muren uitkeek, en hier en daar een mooie kruin zich verhief boven de huizen. De groene linde is een beeld van kalme zomeravond-weelde; in oude liederen en gedichten wordt zij verheerlijkt als de boom der liefde; als veemlinde1 vertegenwoordigt zij het burgerlijk rechtsgevoel van vroeger eeuwen; waar linden zijn, daar is gezelligheid, huiselijk leven. Het oog begroet haar daarom, misschien onbewust, met een dubbel genoegen. Wij zien er haar op aan: de knoestigheid van haren stam doet geen kwaad aan haar vriendelijk karakter; de kleine blaadjes, welke uit die knoesten aan zijn voet ontspruiten, maken hem des te behaaglijker. Het is of zij daar groeien, opdat kleine kinderen er mee zouden spelen, terwijl oudere lieden rusten in zijn schaduw!