Note 2 — Tabak en Tabakkers
Reading edition
De afdeeling Sumatra’s Oostkust der Vereeniging tot Bevordering der Geneeskundige Wetenschappen in Nederlandsch-Indië heeft daar de publieke aandacht op gevestigd met de brochure, die zij uitgaf naar aanleiding van het ontwerp Blommestein, dat, in het oordeel der artsen, dien gunstigen toestand bedreigde. De hier volgende opgaven zijn grootendeels aan die brochure ontleend. De oorspronkelijke toestand was: iedere onderneming behandelde haar eigen zieken. Uit den aard der zaak was die behandeling onvoldoende. De versnipperde krachten werden vereenigd en een geneeskundige dienst kwam tot stand, die twintig centrale hospitalen bouwde, een centraal pathologisch en bacteriologisch laboratorium, en een quarantaine-station, en een staf aanstelde van twee-en-twintig Europeesche medici en drie dokters-djawa. In vergelijking met de overige bevolking van Nederlandsch-Indië wordt voor de Delische koelies zestig maal meer aan geneeskundige hulp uitgegeven: bijna een millioen jaarlijks (ƒ 900.000) voor ongeveer 120.000 contract-koelies op Deli, tegen ongeveer 5 millioen voor ongeveer 35 millioen inwoners van geheel Nederlandsch-Indië. Het gevolg komt ten duidelijkste uit in de cijfers der sterfte-statistiek, die, in tien jaar tijds van 60 op 1000 tot 15 op 1000 zijn gedaald, cijfers tot nog toe nergens elders op tropische ondernemingen bereikt, terwijl die van veel plaatsen van vijf tot tien maal hooger zijn; en bij een vergelijking met West-Europeesche landen alleen voor de meest gunstig-gestelde klasse van arbeiders cijfers worden gevonden gelijk aan die van sommige Delische maatschappijen. Een niet te berekenen weldaad is vooral voor de Javanen—de Chineezen komen over het algemeen in betere lichamelijke gesteldheid hier aan—de geneeskundige behandeling op Deli. De overgroote meerderheid—de laatste statistiek noemt 85 pct.—lijdt aan mijnwormziekte. Oogziekten, ingewandsaandoeningen en allerlei slepende kwalen die het gevolg zijn van onvoldoende voeding en huisvesting zijn algemeen onder hen, evenals koortsen. Zij worden daarvan genezen, met of zonder eigen goedvinden. Dat klinkt zonderling; maar de Javaan is, ook op dit punt, een groot kind. Veel liever is hij ziek en blijft ziek, zoowat sukkelend en knoeiend met de geneesmiddelen van een doekoen en allerlei talismans, bezweringsformulieren, en tooverkunstjes, dan dat hij naar een hospitaal gaat waar hij aan strenge regels is gebonden en leelijke drankjes misschien moet slikken. En wat Javanen uit kinderachtigheid doen, dat doen Chineezen uit verkeerde zuinigheid. Zij kunnen niet verdienen als zij in het hospitaal liggen. De Deli Spoor kon indertijd, toen zij door een moerasachtige streek een lijn bouwde waar malaria uitbrak, van de Chineesche koelies die het werk aangenomen hadden, het niet gedaan krijgen, dat zij de voor hen beschikbaar gestelde woningen op een afstand van het moeras gelegen, betrokken; ze verloren met heen en weer reizen te veel tijd: liever liepen zij de kans van aan malaria te sterven. Toen het sterftecijfer 50 pct. bereikte verliep het volk. De Deli Spoor begon opnieuw met eigen koelies, die zij inkwartierde in een koortsvrije streek, wien zij belette vóor zonsopgang en na zonsondergang te werken, en voorging met het prophylactisch innemen van kinine; daarmee was aan de sterfte een eind gemaakt. Op geheel dezelfde wijze moeten de Delische planters tegen hun Chineesche koelies optreden: en zij hebben bij hen hetzelfde gelukkige resultaat bereikt. De koelie werkende onder het koelie-contract dat hem te dezen opzichte dwingt2, is onder en door dien dwang in een beteren toestand gekomen dan de naar eigen gebrekkig inzicht levende vrije arbeider ooit bereikt. En dit voordeel voor het individu is tegelijk een voordeel voor de gemeenschap, want doordat de zieke in een hospitaal verpleegd, dus geïsoleerd wordt, houdt het gevaar op, dat hij zijn omgeving besmet—een gevaar dat moeilijk overschat kan worden bij het groote aantal infectieuze ziekten waaraan vooral Javaansche koelies lijden—dysenterie, cholera, mijnwormziekte, om maar de meestvoorkomende te noemen. Het vooroordeel der arbeiders is gaandeweg aan het verdwijnen tegenover de dagelijksche ervaring. Dat zij den algemeenen toestand op de Delische tabaksondernemingen waardeeren, blijkt trouwens uit de cijfers. Volgens de laatstverschenen statistiek zijn er van elke honderd tachtig die na verloop van hun contract het vernieuwen. Zij gaan wel terug naar hun land, omdat zij, de reis vrij hebbend, hun familie op willen zoeken en hun belangen waarnemen in hun geboorteland; maar na afdoening van zaken komen zij weerom. In de laatste jaren—nadat de treurige gevolgen van de inzinking in de jaren 1890 verdwenen, of zoo goed als verdwenen waren—heeft Deli onder werkzoekers zulk een goeden naam gekregen, dat koelieronselaars op Java “voor den overwal” wervend, werkvolk kunnen lokken met de voorstelling van Deli als land van bestemming, wanneer zij inderdaad naar andere streken geëxpedieerd zullen worden, waarheen zij niet wetens en willens zouden gaan. Wat de Chineezen aangaat: de Chineesche regeering, die in 1909 emigratie uit Chineesche havens naar Banka en Billiton heeft verboden3 laat die naar Deli vrij. Het streven van de planters is tegenwoordig, de aanwerving zooveel mogelijk te bevrijden van de misbruiken die haar terecht in discrediet hebben gebracht. Voor de Chineesche koelies is het al, gedeeltelijk, bereikt door dat systeem dat de werving uit de handen der ronselaars neemt en legt in die der koelies zelven, die repatrieërend, familie en kennissen werven, met wie zij dan terugkeeren naar Deli. Er zal nu op Java hetzelfde beproefd worden.