Note 4 — Langs de Geelvink-Baai
Reading edition
De sombere fantasie waaruit het geloof aan toovenarij is opgegroeid, het koppensnellen om aan een kind een naam te kunnen geven, en de verwordingsellende op de Zuidwestkust, heeft een tegenhanger in een allerliefelijkste: tegenover den zwarten schrik van het oerwoud, zijn geuren, zijn vogelgezang en zijn schijnsel van zon en maan. Veel er van is al—helaas, maar hoe kan het anders?—verdwijnende. Alleen bij overlevering weten wij nog van den maneschijndans der vrouwen en hun gezang als de mannen verre zijn op hun reis. “Deze maan die wij zien is dezelfde die onze mannen zien, ginder in de verte.”4 En hoeveel moet er al verloren zijn gegaan waarvan wij niets weten!