← Table of contents
Natuur en Menschen in Indië

Note 2 — Djokjasche Landheeren

Reading edition

De Sultans zagen zich te redden zoo goed en kwaad als het kon. Het was meestal kwaad. Zij waren, in de laatste jaren van de 18de eeuw al, begonnen aan hun familie-leden met geld goed te maken, wat zij hun aan land moesten te kort doen; zij zetten het systeem voort ten opzichte van de andere groote leenmannen.2 Dat had zijn grenzen echter, om begrijpelijke redenen nog al nauwe grenzen. Toen maakten de Sultans van weinig veel op dezelfde manier als de Westersche vorsten het hebben gedaan, ten tijde dat in Europa de vervanging van het feodale door het burgerlijke stelsel begon: zooals de Westersche koningen de munt vervalschten, vervalschten de Oostersche het land: voor het gehalte, de maat. De oude Sultan Sépoeh, onder wien de eerste huurders in ’t land kwamen, was daarin een virtuoos. Hij kon zóó knap meten dat een land, dat de eerste maal van opmeten tien bouw groot had geheeten, bij den tweeden keer vijftien bouw groot bleek, en bij een derden misschien wel twintig, en wie weet hoe groot het ten slotte werd, als de Sultan maar vaak genoeg liet opmeten. De ambtenaren en de sultansafstammelingen werden volgens hun rang bedacht met al die “nieuwe landen van den Sultan.” Maar alweer moest er geld bij om dat luchtige grondbezit toch éenig gewicht te geven, al maar meer van het verwenschte geld dat er niet was en nog erger “niet-was” dan ooit, sedert Raffles de schatten uit den veroverden kraton had weggehaald. Daar kregen de nieuwkomelingen hun kans! Zij zelven hadden ook wel geen geld, maar zij konden het maken: met suikerriet-bouw. De Engelsche en Amerikaansche koopers boden immers tegen elkander op voor het kostelijke product. De suikerrietstengel bleek de tooverstaf die grond in goud veranderde. Inplaats van aan zijn priaji’s gaf de Sultan zijn apanagegronden aan de Hollandsche ondernemers.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings