Note 1 — Hoofdstuk XIV.
Reading edition
Ik wil niets ten nadeele van die arme priesters zeggen, die toch al ongelukkig genoeg zijn; zij genieten van het deensche gouvernement eene bespottelijke bezoldiging en ontvangen het vierde gedeelte van de tienden van hun kerspel, hetgeen eene som van nog geen zestig mark bedraagt1. Daaruit ontstaat de noodzakelijkheid om te werken; maar al visschende, jagende, paarden beslaande, neemt men eindelijk de manieren, den toon en de zeden van jagers, visschers en ander ruw volkje aan; denzelfden avond bemerkte ik ook, dat onze gastheer de matigheid niet onder zijne deugden telde.