Note 1 — Hoofdstuk XII.
Reading edition
Intusschen reden wij stevig door; het land was reeds bijna onbewoond. Hier en daar vertoonde zich eene afgelegene hoeve, een alleenstaande „boer”1, van hout, aarde en lavabrokken gemaakt, als een bedelaar aan den rand van een hollen weg. Die vervallen hutten zagen er uit, alsof zij het mededoogen der voorbijgangers afsmeekten, en bijna zou men haar eene aalmoes geschonken hebben. In dat land waren volstrekt geene wegen, zelfs geene voetpaden, en de plantengroei, hoe gering ook, had weinig tijds noodig om de voetstappen der zeldzame reizigers uit te wisschen.