Note 55 — IX. Eene lijkplechtigheid aan boord.
Reading edition
„Dat zijn zoogenaamde menschenhaaien55” verklaarde kapitein Butteling. „Zij hebben een grauwkleurig lichaam, daarbij een breeden rug en een platten kop, die van voren driehoekig is. Zij hebben een wijden bek, die bij bejaarde visschen wel eens met zes rijen tanden in iedere kaak gewapend is. De voorste rijen dier tanden, die zaagvormig zijn, staan onbewegelijk in het kaakbeen; terwijl de achterste beweegbaar zijn en door het dier naar willekeur kunnen opgericht of neergeslagen worden. Iedere rij bevat minstens 30 tanden. Zij volgen nu het schip. Dat zal dagen lang duren, en zij zullen ons niet verlaten voor dat de verminderende warmtegraad van het water hen daartoe noodzaken zal. Wee den ongelukkigen, die thans overboord valt. Voor hem is geen redding. Voor dat hulp zou kunnen verleend worden, zou hij door die monsters gehavend en naar de diepte gesleurd zijn.”