Note 54 — IX. Eene lijkplechtigheid aan boord.
Reading edition
„O! vergeef mij mevrouw. De wensch om de andere passagiers dat prachtvolle tooneel ook te laten genieten, heeft mij vervoerd. Die visschen noemt men makreelen.54 Zoo als gij ziet, worden zij tot ongeveer een halven meter lang en wegen dan omstreeks 2 Ned. pond. Zij vertoonen bij daglicht een blauwen rug met zwarte dwarsbanden, terwijl de buik wit is. Zij worden veel in de Middellandsche zee aangetroffen; maar, zooals gij zien kunt, trekken zij ook in den Atlantischen Oceaan in groote scholen rond. Ik heb er bij het eiland Sint Helena ongeloofelijke hoeveelheden bij elkander gezien. Het vleesch dier visschen is malsch en zeer smakelijk, doch wel een weinig weekachtig, zoodat zij zich minder eigenen om gerookt te worden. Gezouten evenwel worden ze van dat eiland veelvuldig verzonden …”