Note 52 — IX. Eene lijkplechtigheid aan boord.
Reading edition
Vooral des avonds, wanneer de zon was ondergegaan en geen maanlicht de donkerheid der nachten temperde, was die vore bewonderenswaardig. Zij was dan in den regel aan een stroom vloeibaar zilver gelijk, te midden waarvan schitterende vuurbollen draaiden en wentelden, uit elkander sprongen, zich weer vereenigden, om zich weer in ontelbare glinsterende punten te verdeelen. Phosphoresceerde52 de zee daarbij, wat in deze warme streken niet zeldzaam gebeurde, dan was het schouwspel, hetwelk zich aan de verbaasde blikken voordeed, onbeschrijfelijk fraai. Dan was die zogstreep van het schip nog helderder dan anders, dan waren de daarin draaiende en wentelende bollen nog schitterender; maar dan was daarenboven die vore met eene schitterend vurige franje omzoomd, afkomstig van de golfjes, die er tegen braken. Iedere golf, die zich over dag met een licht randje van wit schuim kuifde, was dan getooid met een zacht schijnend phosphorlicht, dat een vreemden tint aan het donkere water verleende. Dan was, wanneer men zich over de verschansing boog, de romp van het schip, zoo ver hij in het water dook, van gloeiend metaal; dan was de golf, dien de boeg bruisend voor zich uitwierp aan eene vuurbaar van eene schitterende witte tint gelijk, en kon men wanen, als salamanders over eene vuurzee te zweven. Zelfs de golfjes, die dartelend tegen de scheepswanden opspatten, waren aan schitterende vonken gelijk, die in een vurigen regen nedervielen.