Note 17 — I. Naar zee.
Reading edition
Maar, was het weer ook al, van dien kant beschouwd, gunstig te noemen geweest, anders was het met den wind gesteld. Men was met een zwakken oostenwind van Harderwijk vertrokken, die evenwel al spoedig zoodanig begon te krimpen, dat scherp bij den wind moest gezeild worden. Toen men evenwel het Enkhuizer zand17 genaderd was, kromp de wind nog meer en moesten de kagen tot laveeren overgaan. Dat vorderde tijd en maakte den toestand onaangenaam, daar, wat de levensmiddelen betrof, slechts op eene reis van hoogstens vier en twintig uren gerekend was, en voor dat tijdperk slechts hard komiesbrood of nog hardere scheepsbeschuit medegenomen was. Wel werd nu in dien nood het eiland Wieringen aangedaan; maar de luitenant, die met ettelijke manschappen ter fourageering uitgezonden was, kon niets anders machtig worden dan brood, en dat nog maar in zoo eene beperkte hoeveelheid, dat ternauwernood een half ons aan ieder hongerige kon verstrekt worden. Een ware kwelling dus, niets meer!