← Table of contents
Mythen & Legenden van Japan

Note 1 — Hoofdstuk XXXI. Legenden van verschillenden aard.

B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation

Shikaiya Wasōbiōye, was een inwoner van Nagasaki, en was ontzaglijk geleerd, maar had een afschuw van bezoekers. In de achtste maand vertrok hij in zijn boot om de bewonderaars der volle maan te ontvluchten, en was reeds een eind ver voortgegaan, toen de lucht een dreigend aanzien aannam; daarom trachtte hij terug te keeren, maar de wind scheurde zijn zeilen en brak zijn mast. De arme man werd gedurende drie maanden op de golven heen en weer bewogen, totdat hij ten slotte aan de Modderzee kwam, waar hij bijna van honger omkwam, daar in die buurt geen visschen konden worden gevangen.

Eindelijk bereikte hij een bergachtig land, waar de lucht liefelijk was van den geur van verscheidene bloemen, en op dat eiland vond hij een bron, waarvan de wateren hem nieuw leven schonken. Eindelijk ontmoette Wasōbiōye Jofuku, die hem door de straten der hoofdstad geleidde, waar al de bewoners hun tijd doorbrachten met het najagen van genoegens. Op dat eiland bestond noch dood noch ziekte; maar het feit, dat het leven hier eeuwig duurde, werd door velen als een last beschouwd, dien zij trachtten van zich af te schudden door de magische kunst van den dood te bestudeeren, en de macht van vergiftig voedsel, zooals sommige vischsoorten, die besprenkeld waren met roet, en het vleesch van meerminnen.

Nadat er twintig jaar verstreken waren, kreeg Wasōbiōye een tegenzin tegen het eiland, en toen zijn pogingen, zich het leven te benemen, geen resultaat hadden, ging hij op reis naar de Drie Duizend Werelden, die in de Buddhistische Geschriften vermeld worden. Daarna bezocht hij het Land van den Eindeloozen Overvloed, het Land van het Bedrog, het Land van de Volgelingen van het Oude, het Land van de Paradoxen, en ten slotte het Land van de Reuzen.

Nadat Wasōbiōye vijf maanden lang op den rug van een ooievaar in volslagen duisternis was voortgetrokken, bereikte hij eindelijk een land, waar de zon weer scheen, waar boomen honderd voet in omtrek waren, waar het onkruid zoo hoog was als bamboe en de menschen zestig voet hoog. In dat vreemde land nam een reus Wasōbiōye op, droeg hem naar zijn huis, en voedde hem met één enkelen monsterachtig groote rijstkorrel, door middel van eetstokjes, die zoo groot waren als een kleine boom. Een paar weken lang trachtte Wasōbiōye zijn gastheer te onderwijzen in de leerstellingen der oude wereld, waar hij van daan kwam, maar de reus lachte hem uit en zeide hem, dat zulk een dwerg niet kon geacht worden de gebruiken van groote menschen te begrijpen, daar hun verstand in overeenstemming moest zijn met hun grootte.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings