Note 3 — Hoofdstuk XXVII. Legenden van de Zee.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Oribe Shima had den grooten vorst Hojo Takatoki beleedigd en was ten gevolge daarvan naar Kamishina, één der Oki-eilanden verbannen, en gedwongen zijn schoone dochter Tokoyo te verlaten, die hij innig lief had.
Eindelijk kon Tokoyo de scheiding niet langer uithouden, en besloot zij haar vader op te zoeken. Daarom ondernam zij een groote reis, en toen zij te Akasaki, in de provincie Hoki, was gekomen, van welke kustplaats de Oki-eilanden bij helder weder zichtbaar waren, smeekte zij verschillende visschers, haar naar haar bestemming te roeien. Maar de visschers lachten haar uit, en raadden haar aan, haar dwaas plan op te geven en naar huis terug te keeren. Het meisje wilde echter niet naar hun raad luisteren, en tegen het invallen van den nacht besteeg zij het kleinste vaartuig, dat zij kon vinden, en door middel van een gunstigen wind en voortdurend roeien, kwam het dappere meisje eindelijk in één der rotsachtige inhammen der Oki-eilanden.
Dien nacht sliep Tokoyo vast, en des morgens nam zij voedsel tot zich. Toen zij haar maaltijd had geëindigd, vroeg zij een visscher, waar zij haar vader kon vinden. “Ik heb nooit van Oribe Shima hooren spreken”, antwoordde de visscher, “en als hij verbannen is, raad ik u aan, u van verder onderzoek te onthouden, daar het anders wel uw beider dood ten gevolge zou kunnen hebben.”
Dien nacht sliep de treurige Tokoyo aan den voet van een altaar, aan Buddha gewijd. Haar slaap werd spoedig verstoord door handgeklap, en toen zij opkeek, zag zij een weenend meisje gekleed in een wit gewaad, terwijl een priester naast haar stond. Op het oogenblik waarop de priester het meisje over de rotsen in de bulderende zee wilde werpen, sprong Tokoyo op en hield het meisje bij den arm.
De priester vertelde, dat in dien nacht, den dertienden Juni, de Slangengod, bekend onder den naam van Yofuné-Nushi, een jong meisje als offer opeischte, en dat, als dit jaarlijksche offer niet werd gebracht, de God vertoornd werd en vreeselijke stormen veroorzaakte.
“Goede Heer,” zoo sprak Tokoyo, “ik ben blijde, dat ik de gelegenheid heb gehad het leven van het arme meisje te redden. Gaarne bied ik mij zelf in haar plaats aan, want ik ben droevig van gemoed, omdat ik niet in staat ben geweest mijn vader te vinden. Geef hem dezen brief, want mijn laatste woorden van liefde en afscheid zijn aan hem gewijd.”

Tokoyo en de Zee-Slang
Na aldus te hebben gesproken, nam Tokoyo het witte gewaad van het meisje, en hulde zich daarin, en nadat zij gebeden had tot het beeld van Buddha, plaatste zij een kleinen dolk tusschen de tanden en wierp zij zich in de stormachtige zee. Zij zonk neer in het door de maan verlichte water, totdat zij kwam in een groot hol, waar zij een standbeeld zag van Hojo Takatoki, die haar armen vader in ballingschap had gezonden. Zij was op het punt het beeld op haar rug te binden, toen een groote witte slang uit het hol kroop, met nijdig glinsterende oogen. Tokoyo, die begreep, dat dit schepsel niemand anders was dan Yofuné-Nushi, trok haar dolk en stak dien in het rechter oog van den God. Die onverwachte aanval was oorzaak, dat de slang zich in het hol terugtrok, maar de dappere Tokoyo ging de slang achterna en bracht haar een tweeden steek toe, en wel nu in het hart van het dier. Een oogenblik strompelde Yofuné-Nushi blindelings voort, maar onmiddellijk daarna viel het dier met een kreet van pijn dood op den bodem van het hol neer.
Tijdens dit avontuur stonden de priester en het meisje op de rotsen, en keken naar de plek, waar Tokoyo verdwenen was, terwijl zij innig baden voor den vrede van haar droevige ziel. Toen zij daar stonden te bidden, zagen zij Tokoyo aan de oppervlakte van het water komen, terwijl zij een beeld droeg en een ontzaglijk monster, dat op een visch geleek. De priester kwam haastig het meisje te hulp, trok haar op het strand, plaatste het beeld op een hooge rots en maakte zich meester van het lichaam van de Witte Zeeslang.
Na verloop van tijd werd die merkwaardige geschiedenis ter kennis gebracht van Tameyoshi, den bestuurder van dit eiland, die op zijn beurt het vreemde avontuur aan Hojo Takatoki mededeelde. Takatoki echter had geruimen tijd geleden aan een ziekte, die de bekwaamheid der geleerdste geneesheeren had getart; het bleek nu, dat hij zijn gezondheid terugkreeg juist op het oogenblik, waarop zijn beeld, dat door den één of anderen balling was vervloekt geworden en in zee geworpen, weer te voorschijn was gekomen. Toen Hojo Takatoki vernam, dat het dappere meisje de dochter was van den verbannen Oribe Shima, zond hij hem met den grootsten spoed naar zijn eigen woonplaats terug, waar hij nog langen tijd met zijn dochter in vrede en voorspoed leefde.