Note 1 — Hoofdstuk XXVII. Legenden van de Zee.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
Nadat de feestelijkheden geëindigd waren, liet Otohime haar echtgenoot al de schoonheden en wonderen zien van het paleis haar vaders. Het grootste wonder van alle was, dat daar een land was, waar alle jaargetijden te zamen vertoefden.1 Als hij den blik naar het oosten sloeg, zag Urashima pruimen- en kersenboomen in vollen bloei, terwijl vlinders met heldere vleugels over de bloesems heenstreken, en in de verte scheen het, alsof de heldere bloemblaadjes en de vlinders plotseling waren overgegaan in het gezang van een wonderschoonen nachtegaal. In het zuiden zag hij boomen in de volle glorie van den zomer, en hoorde hij het liefelijke geluid van den krekel. Sloeg hij het oog naar het westen, dan glinsterden de ahornboomen in de takken van den herfst, zoodat Urashima, als hij een ander geweest was dan een eenvoudige, nederige visscher, zich het volgende gedicht zou hebben voor den geest geroepen: