← Table of contents
Mythen & Legenden van Japan

Note 2 — Hoofdstuk XXIX. Bovennatuurlijke Wezens.

B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation

De Shōjō is een zeemonster met vuurrood haar, en die bijzonder gaarne groote hoeveelheden heilige witte saké drinkt. De volgende legende zal ons een denkbeeld geven van dat schepsel en van den aard van zijn geliefkoosden drank.

Wij hebben reeds melding gemaakt van de wonderbaarlijke verschijning van den Fuji.3 Op den dag, waarop dit wonder had plaats gegrepen, werd een arm man, Yurine genaamd, die in de nabijheid woonde, gevaarlijk ziek, en toen hij voelde, dat zijn dagen geteld waren, wenschte hij vóór zijn dood nog een kop saké te drinken. Maar in de kleine hut was geen rijstwijn, en zijn jongen, Koyuri, die zoo mogelijk den laatsten wensch van zijn vader wilde vervullen, liep langs het strand met een flesch in zijn hand. Hij was nog niet ver van huis, toen hij hoorde, dat iemand hem bij zijn naam riep. Toen hij rondzag, ontdekte hij twee wezens, vreemd van uiterlijk, met lang rood haar en een huid, die de kleur had van rooden kersenbloesem, terwijl zij gordels van groen zeegras om de lendenen droegen. Toen hij naderbij kwam, bemerkte hij, dat die wezens witte saké dronken uit breede platte kommen, die zij voortdurend uit een groote steenen kruik vulden.

“Mijn vader is stervende,” zeide de knaap, “en hij zou vóór zijn dood nog zoo gaarne een kop saké willen drinken. Maar helaas! wij zijn arm, en ik weet niet, hoe ik dien laatsten wensch van hem kan vervullen.”

“Ik zal uw flesch met deze witte saké vullen,” zoo sprak één der beide schepsels, en toen hij dit gedaan had, ijlde Koyuri naar zijn vader terug.

De oude man dronk gretig de witte saké. “Breng mij nog wat, want dit is geen gewone wijn. De drank heeft mij kracht geschonken, en reeds nu voel ik nieuw leven door mijn oude aderen stroomen.”

Koyuri keerde dus naar het strand der zee terug, en de roodharige wezens gaven hem gaarne nog meer van hun wijn, ja zelfs gaven zij hem voldoende saké voor vijf dagen, en toen die tijd verloopen was, was Yurine weer geheel hersteld.

Yurine had echter een buurman, Mamikiko genaamd; toen deze hoorde, dat Yurine onlangs een flinke hoeveelheid saké had gekregen, werd hij jaloersch, want hij hield zeer veel van een kop rijstwijn. Eens bezocht hij Koyuri en ondervroeg hem naar aanleiding van die zaak, terwijl hij zeide: “Laat mij de saké proeven.” Met ruwe hand ontrukte hij den knaap de flesch, en begon te drinken, doch trok dadelijk bij het drinken een vies gezicht. “Dit is geen saké”, riep hij woedend uit: “het is vuil water,” en na die woorden te hebben gesproken, begon hij den jongen te slaan, terwijl hij uitriep: “Breng mij naar dat roode volk, waarvan ge mij verteld hebt. Ik wil van hen goede saké hebben, en laat het pak slaag, dat ik je gegeven heb, een waarschuwing voor je zijn, om mij nooit meer voor den gek te houden.”

Koyuri en Manikiko gingen samen langs het strand, en kwamen spoedig op de plaats, waar de roodharige wezens bezig waren te drinken. Toen Koyuri hen zag, begon hij te weenen.

“Waarom huilt gij?” sprak één der beide wezens. “Uw vader heeft toch niet reeds al de saké opgedronken?”

“Neen”, antwoordde de knaap, “maar mij heeft een ongeluk getroffen. De man, dien ik heb meegebracht, Mamikiko genaamd, dronk wat van de saké, spuwde het onmiddellijk uit, en wierp het overige weg, terwijl hij zeide, dat ik hem voor den gek hield en hem vuil water te drinken had gegeven. Wees zoo goed, mij nog wat saké voor mijn vader mede te geven.”

De roodharige man vulde de flesch, en verkneuterde zich in de onaangename ervaring, die Mamikiko had opgedaan.

“Ik zou ook wel een kop saké willen hebben”, zeide Mamikiko. “Wilt gij mij ook wat laten nemen?”

Nadat hem daartoe verlof was gegeven, vulde Mamikiko den grootsten kop dien hij kon vinden, terwijl hij genoot van den heerlijken geur. Maar nauwelijks had hij de saké geproefd, of hij werd misselijk en maakte het wezen een vreeselijk standje.

De roode man antwoordde toen: “Gij weet zeker niet, dat ik een Shojō ben, en dat ik woon naast het paleis van den Zeedraak. Toen ik hoorde van de plotselinge verschijning van den Fuji, kwam ik hier om den berg te zien, er van overtuigd, dat een zoodanige gebeurtenis een goed voorteeken was en een voorspelling van den voorspoed en het eeuwig bestaan van Japan. Toen ik genoot van de schoonheid van dien prachtigen berg, ontmoette ik Koyuri en had het geluk het leven van zijn braven vader te redden door hem wat te geven van onze heilige witte saké, die de jeugd aan menschelijke wezens teruggeeft en hun een langer leven schenkt, terwijl zij den Shojō onsterfelijkheid schenkt. De vader van Koyuri is een braaf man, en de saké was dus in staat haar volle weldadige werking op hem uit te oefenen; maar gij zijt gierig en zelfzuchtig, en voor al dergelijke menschen is saké vergif.

”Vergif?” kermde Mamikiko, die nu dood ongelukkig was. “Goede Shojō, heb medelijden met mij en red mijn leven!”

De Shojō gaf hem een poeder en zeide: “Neem dit in saké in, en heb berouw over uw slechtheid.”

Mamikiko deed wat hem bevolen was, en vond de saké nu verrukkelijk. Hij liet geen tijd verloren gaan met vriendschap te sluiten met Yurine, en eenige jaren later vestigden zij zich aan de zuidelijke helling van den Fuji, brouwden de witte saké van den Shojō, en leefden nog driehonderd jaar.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings