Note 2 — Hoofdstuk VII. De Legende in de Japansche Kunst.
B. C. (Boudewijn Casper) Goudsmit translation
De Japansche versierselen verduidelijken dikwijls een oude legende. Wij zien somtijds op een tsuba (gevest van een degen) een pijnboom met menschen, die in de takken zitten. Één man draagt een banier, terwijl twee andere op muziekinstrumenten spelen. Er is een aardige legende aan die vreemde teekening verbonden, en hoewel die van Chineeschen oorsprong is, verdient zij een plaats te vinden in dit werk, omdat zij één van die fantastische Chineesche legenden is, die in de Japansche litteratuur en kunst is ingeweven, in het kort één van de geliefkoosde onderwerpen is geworden van Chineesche kunstenaars, en van hen, die de No, of het lyrische drama van Nippon, bijwonen.
Rosei bereikte in oude tijden de oude herberg van Kantan, zóó vermoeid van zijn reis, dat hij onmiddellijk toen zijn hoofd zijn hoofdkussens aanraakte, in slaap viel. Het was geen gewoon hoofdkussen, maar kon zeer goed beschreven worden als het Tooverkussen der Droomen, immers zoodra Rosei in slaap was gevallen, naderde hem een afgezant, die zeide: “Ik ben door den Keizer van Ibara afgezonden, om u mede te deelen, dat Zijne Majesteit wenscht afstand te doen van den troon en u in zijn plaats te stellen. Wees zoo goed in den palankijn plaats te nemen, die u wacht, en de dragers zullen u spoedig naar de hoofdstad dragen.”
Rosei, ten hoogste verbaasd door wat hij had gezien en gehoord, nam plaats in den palankijn, die bezaaid was met edelgesteenten van schitterenden glans, en werd naar een prachtig land gevoerd, dat het best in het volgende gedicht is beschreven:
Want nog nooit in die oude Keizerlijke zalen, Zich badend in den glans, dien ’t maanlicht uit deed stralen, Of waar de draak zich heft op wolken in den Hooge, Was er zoo groote wellust voor de oogen! Met zilver en met goud was overdekt de grond. Vier poorten in de hoeken van de zalen Vertoonden, als men d’ oogen rond liet dwalen, Juweelen schoon als men nooit ergens vond, En drommen in kleedij, die fonkelde van licht, Vertoonden overal een schitterend gezicht. Zóó schoon was ’t al te zien, Dat ’t sterflijk oog misschien Zich waande vóór de poort van ’t schittrend hemelrijk. Hier gaf het gansche volk van liefde en mildheid blijk, Door ’t bieden van de schoonste en edelste geschenken, Zoo kostbaar als men zich ’t gemunte goud kan denken. En ginds de minderen, die deelden in het wonder, Vazallen, naderend, vermetel, vol van moed, Van wie een ieder fier zijn vaandel wapp’ren doet, Dat ’t gansche luchtruim vult met heldren kleurengloed, Terwijl de lucht weerklinkt, als rolde luid de donder.
Naar B.H. Chamberlain.
Rosei bevond zich in een tooverland, waar de Natuur òf haar natuurlijke wetten vergat, òf door de bevolking van dat land tot nieuwe wonderen gebracht werd. In het oosten was een zilveren hemel, waarover de gouden zon scheen, en in het westen was er een gouden heuvel, waarover de maan haar zilveren licht uitgoot.
De tijd wordt niet door herfst of lente aangeduid, En zon zoowel als maan vergeet te spoeden langs haar weg, Als zij het druk gewoel der rijke poorten zien.
Naar B.H. Chamberlain.
Het geheele gronddenkbeeld van dit bekoorlijke verhaal schijnt uit te drukken, dat dit land niet alleen een land was van eeuwige jeugd, maar ook een land, waar de Natuur de jaargetijden samenvoegde, waar altijd kleur en bloesem gevonden werd, en waar geen bloem verwelkte.
Toen Rosei vijftig jaar in dit heerlijke land had geleefd en geregeerd, kwam op zekeren dag een minister bij hem, en verzocht hem te drinken van het Levenselixir, opdat hij, evenals zijn onderdanen, eeuwig zou leven.
De vorst dronk het Elixir, “te midden van de schitterendste pracht en het grootste vreugdebetoon, ooit over een sterveling uitgegoten”. Rosei meende, dat hij den Dood had beroofd van hetgeen hem toekwam, en bracht een leven van poëtische, ja zelfs zinnestreelende verrukking door. Hij gaf weelderige feesten aan zijne hovelingen, feesten, die zonder onderbreking de zon en de maan zagen, waar bekoorlijke meisjes dansten, en waar eindeloos muziek en gezang werd gehoord.
Het bleek echter, dat die vroolijke feesten, dat kleurig praalvertoon, toch niet eeuwigdurend waren, want eindelijk werd Rosei wakker en ontdekte hij, dat hij op “Kantans” peluw rustte. De zedenmeester komt op dit oogenblik ten tooneele met het volgende gedicht:
“Maar wie dit goed bedenkt, Ziet dat het leven steeds aan elk hetzelfde schenkt; Komt eenmaal toch de dood—een eeuw van zaligheid Zinkt als een schoone droom terug in d’ eeuwigheid.
Naar B.H. Chamberlain.
Rosei kwam na die fantastische ondervinding tot het besluit, dat “het leven een droom” is, dat ook de eerzucht een droom is; en na die Buddhistische leerstelling te hebben in zich opgenomen, keerde hij naar zijn eigen huis terug.